Van de Savoyards tot de Bourbons

Na de Spaanse Successieoorlog en de Vrede van Utrecht in 1713 werd Sicilië aan het Huis van Savoye gegeven. In 1718 landden weer Spaanse troepen, waardoor Philips V aan de macht kwam, maar de Habsburgers grepen in en Oostenrijk verkreeg het eiland onder Karel VI; Savoye kreeg Sardinië hiervoor in ruil. In 1735 werd de macht overgenomen door de Bourbons van Napels, waardoor beide gebieden na eeuwen herenigd werden. Napels werd de hoofdstad, ook voor Sicilië. Als gevolg van de ‘geest der Verlichting’ werden enige hervormingen aangebracht: de Jezuïeten werden in 1767 verjaagd en hun grondbezit onder de boeren verdeeld; de Inquisitie werd in 1782 opgeheven. Door de Franse Revolutie (1789) werden de edelen echter steeds conservatiever. Van 1799 tot 1802 en van 1806 tot 1815 was Sicilië het toevluchtsoord voor Ferdinand van Bourbon, toen de Fransen het koninkrijk Napels hadden veroverd. Hij kreeg steun van de Britse vloot. Onder aandrang van Lord William Bentinck stond Ferdinand IV in 1812 een grondwet toe naar Engels model. Een tweekamer-parlement werd ingesteld en feodale privileges opgeheven. Na de nederlaag van de door Napoleon benoemde koning van Napels, Joachim Murat, keerde Ferdinand op zijn troon terug. In 1816 trok hij de grondwet weer in. Als autocratisch vorst regeerde hij onder de naam Ferdinand I over zijn rijk, dat de naam ‘Koninkrijk der Twee Siciliën’ kreeg.

Afkeer van het reactionaire bewind van de Bourbons leidde herhaaldelijk tot opstanden, zoals in Palermo in 1820 en ’21, die met behulp van de ‘Heilige Alliantie’ werden onderdrukt, en in 1837 in Syracuse, tegelijk met een cholera-epidemie. In 1848 begon een echte revolutie in Palermo, die zich over het hele eiland uitbreidde. De Bourbons werden vervallen verklaard en een tijdelijk bewind opgezet onder Ruggero Settimo. Maar deze regering over een verarmd land in crisis viel uiteen door onderlinge verdeeldheid, zodat de Bourbons hun macht konden herstellen.