Beknopte kunstgeschiedenis Toscane

Piero della Francesca
Piero della Francesca

Prehistorie en oudheid

Er zijn vondsten gedaan uit de steentijd en de bronstijd. In de Villanovacultuur (15e-10e eeuw v.C.) woonde men in versterkte dorpen. Daarna kwamen Indo-europese stammen het land binnen. Ten noorden van de Arno woonden toen de Liguriërs met versterkte nederzettingen op heuveltoppen. Er zijn van hen menhirs (stenen beelden) gevonden.

De Etrusken of Etruriërs schiepen de voornaamste vóór-Romeinse cultuur. Van de kust en van plaatsen als Volterra en Chiusi uit breidden zij hun invloed uit over geheel Toscane en daarna ook over Umbrië en Latium, tot zij in de 1e eeuw v.C. gestuit werden door de Romeinen. Van dit mysterieuze volk kent men noch de taal - met Grieks letterschrift - noch de herkomst. Het waren ondernemende handelaars en zeevaarders/zeerovers, technisch begaafde uitvinders, maar ook waren zij kunstzinnig en levenslustig. Zij presteerden veel op het gebied van de waterbeheersing, stedebouw en vestingwerken. De Etruskische kunst heeft overwegend met de dood en het hiernamaals te maken. Men gaf de doden fraaie sieraden mee; levendige fresco's versierden de grafkamers. Urnen met mensenhoofden (canopen), sarcofagen en necropolen (dodensteden) met graven in de vorm van woningen getuigen van een vast geloof in een leven na de dood. Er zijn prachtige bronzen beelden van fabeldieren (zoals de Chimeira van Arezzo) bewaard gebleven, evenals vazen naar Grieks voorbeeld.

In de 6e tot 4e eeuw kwamen andere volken binnenvallen. De economische macht van de Etruskische steden, zoals Volterra, Arezzo, Cortona, Fiesole en Orbetello met hun handelsposten over het hele Middellandse-Zeegebied, begon te wankelen. De monarchie maakte plaats voor een republikeinse staatsvorm, geleid door adel en priesters. Sinds de 3e eeuw verbonden veel Etruskische steden zich met Rome en leidden zo hun eigen ondergang in. In de 1e eeuw had Rome heel Etrurië opgeslokt.

Toscane speelde in de Romeinse tijd een ondergeschikte rol. Uit de vorm van de binnensteden van Pisa, Lucca en Florence - de door Sulla gestichte veteranenkolonie Florentia - blijkt het Romeinse stratenplan. Amfitheaters, castra en thermen zijn opgegraven bij Roselle, Fiesole, Arezzo, Volterra, Pisa en Cosa. Op de eilanden en langs de kust zijn ruïnes gevonden van landhuizen van Romeinse patriciërs.

Middeleeuwen en periode van de stadsrepublieken

Na de ondergang van het Romeinse Rijk (476) bleven de Germaanse invallen voortduren, van Goten en Longobarden, onderbroken door een kortstondige Byzantijnse heerschappij, dus door het Oostromeinse Rijk, in de 6e eeuw. In de 8e eeuw werd Midden-Italië ingelijfd bij het Frankische Rijk van Karel de Grote, waarbij de mark Tuscië werd gesticht. Van de nieuwe pelgrimsweg naar Rome profiteerden o.m. San Gimignano en Colle Val d'Elsa. Een bonte stoet van kooplui, pelgrims, koningen en bisschoppen trok langs. Restanten van de simpele religieuze kunst uit die tijd zijn nog te vinden aan de dom van Chiusi en de abdij Sant'Antimo. Ook werden burchten, kloosters en dorpskerkjes gesticht (einde van de 10e eeuw).

In de middeleeuwen zag men in Toscane enerzijds de vrije steden met hun stadhuizen en familietorens (San Gimignano!), loggia's en marktpleinen, anderzijds leengoederen met burchten op bergtoppen en agrarische dorpen in de dalen. De volksvroomheid uitte zich in talrijke, soms nog bestaande 'pieve'-kerkjes in zuivere Romaanse stijl gebouwd, verspreid over het platteland. De Romaanse stijl vertoonde veel variatie. In Florence werden klassieke en Romaanse elementen vermengd. Zulke 'Renaissance-Romaanse' bouwwerken vinden we nog in Fiesole, Empoli en Florence (San Miniato al Monte, Baptisterium). Bij de 'miracoli' van Pisa - dom, baptisterium en campanile - gingen oriëntaalse en inheemse stijlen samen. Deze Toscaans-Romaanse stijl verbreidde zich langs de kust van Carrara tot Massa Marittima en in het binnenland tot Prato en Pistoia. Lucca toonde een eigen synthese van antieke en middeleeuwse vormen (San Martino, San Michele). In Siena ontstond een Romaans-gotische mengstijl met ruimtebepalende gotische structuur, terwijl de gotiek in Pisa (Camposanto) en Florence (Santa Maria Novella, Santa Croce) vooral in de decoratie tot uiting kwam.

Grote middeleeuwse kunstenaars uit Pisa waren Bonanno en Nicola Pisano met zijn familie (Giovanni, Andrea en Nino Pisano). Nicola schiep de preekstoel van de dom in Pisa en in Siena. Uit de school van Pisano stamt Arnolfo di Cambio, die in Florence een beeldhouwersschool stichtte, waar o.a. Andrea Orcagna het vak leerde. Orcagna's tabernakel van de Madonna in de loggia van de Orsanmichele in Florence is een hoogtepunt van de Toscaanse gotiek. De beeldhouwer Tino di Camaino werkte in Siena, Pisa en Florence. In de 12e en 13e eeuw was Italië de ontmoetingsplaats van twee grote stromingen in de kunst, de Romaans-gotische van het westen en de Byzantijnse uit het oosten. De typisch Italiaanse kunst werd in Toscane geboren uit deze verbinding. Tot de oudste producten behoren houten crucifixen en retabels, zowel als mozaïekwerk, heel duidelijk te zien in het Baptisterium van Florence.

Cimabue maakte crucifixen voor de Santa Croce in Florence en voor de San Domenico van Arezzo; Duccio di Buoninsegna de Maestˆ in de dom van Siena. In Siena werd Duccio opgevolgd door Simone Martini, die b.v. de fresco's van de Maestà en van het Laatste Oordeel in het stadhuis van Siena maakte, terwijl in hetzelfde gebouw de gebroeders Lorenzetti het 'Goede en het Slechte Bestuur' in fresco's verbeeldden.

Maar pas de Florentijn Giotto di Bondone kwam geheel los van de starheid van de Byzantijnse en gotische invloeden. Hij is de feitelijke stichter van de eigen Italiaanse kunst (1300), te vergelijken met wat Dante op literair gebied betekende. Giotto's opvatting van ruimte en compositie vormde een revolutie in de westerse kunst. In Florence is niet veel van hem bewaard gebleven; het bekendst is daar de campanile van de dom, door hem ontworpen. Zijn belangrijkste werk is te zien in de Franciscuskerk in Assisi (het leven van Sint-Franciscus) en in de Arenakapel van Padova. Leerlingen van Giotto waren Gaddi, Daddi en Aretino.

De Renaissance

Florence was het brandpunt van de Renaissance. Onder de heerschappij van De' Medici, die in 1434 begon met die van Cosimo de oude en tot grote bloei kwam onder diens kleinzoon Lorenzo 'Il Magnifico' floreerden kunsten en wetenschappen als nooit tevoren.

Het humanisme greep terug op de antieke gedachtenwereld en de Renaissance vernieuwde de kunsten op dezelfde basis. De architect Brunelleschi grondvestte een nieuwe bouwkunst op basis van mathematische berekeningen en perspectief, naar menselijke maat en als een harmonisch geheel. Hij bouwde het Ospedale degli Innocenti (weeshuis) met loggia, de kerken San Lorenzo en Santo Spirito, de Pazzikapel naast de Santa Croce, het Palazzo Pitti en als grootste prestatie de zonder wapening geconstrueerde grote koepel van de dom van Florence. Van Alberti zijn het Palazzo Rucellai en de faade van de Santa Maria Novella. Later werkte hij in Rome en elders in Italië. Michelozzo bouwde het Palazzo Medici en het San Marcoklooster, B. da Maiano het Palazzo Strozzi. Talrijk zijn de villa's van De' Medici en andere patriciërs in het Florence omringende heuvelland.

Ook de beeldhouwkunst bloeide in Florence op. In 1401 won Ghiberti de prijsvraag voor het ontwerpen van een bronzen deur voor het Baptisterium, die later door Michelangelo 'paradijsdeur' werd genoemd. Donatello en Jacopo della Quercia, de grote vernieuwers van de plastiek in de 15e eeuw, waren leerlingen van Ghiberti. Van della Quercia zijn de stadsfontein van Siena en graven in de San Frediano te Lucca. Met Donatello bereikte de plastische expressie van de Renaissance een hoogtepunt. Hij maakte o.a. een beeld van San Giorgio in de Orsanmichele, de profeten aan de domtoren, basreliëfs in de dom en in de Santa Croce en de bronzen David, thans in het Bargellomuseum. De familie della Robbia maakte geglazuurde terracotta's van grote schoonheid.

De schilderkunst was al even vernieuwend. Baanbrekend was Masaccio, die voortbouwde op de ideeën van Giotto, Brunelleschi en Donatello. Zijn fresco's in de S. Maria del Carmine geven een levendig beeld van het stadsleven in die tijd. Ook zijn 'Verdrijving van Adam en Eva' is een perspectivisch vernieuwende voorstelling. Masaccio's ideeën werden voortgezet door schilders als Filippo Lippi, Veneziano, del Castagno, Uccello en Frˆ Angelico. Frˆ Beato Angelico, nog sterk in de gotische traditie schilderend, was wel de geniaalste erfgenaam van Masaccio. Zijn fresco's in het San Marcoklooster getuigen van verstilde vroomheid. Zijn leerling Gozzoli maakte fresco's als kostbaar behang, zoals de 'Tocht der Drie Koningen' in het Palazzo Medici Riccardi. Bekende schilders waren voorts Palaiolo, Verrocchio, die ook goudsmid en beeldhouwer was en bij wie Leonardo da Vinci en Perugino les namen, Filippino Lippi, de zoon van Filippo, en Ghirlandaio.

Op het einde van de 15e eeuw (het Quattrocento) schitterden nog drie grote meesters: Botticelli, Piero della Francesca en Leonardo da Vinci.

Botticelli werkte vooral voor De' Medici. In zijn werk komen het zelfbewustzijn en het streven naar harmonie sterk tot uiting. Hij wist ook een perfecte weergave van kleding en sieraden te bereiken.

Piero della Francesca geldt als de sleutelfiguur tussen de Toscaanse en de Venetiaanse kunst. Zijn belangrijkste werk is de frescocyclus 'De legende van het Heilige Kruis' in de San Francescokerk van Arezzo. In het plaatsje Monterchi is de opmerkelijke 'Madonna's bevalling' te zien (met het gescheurde gewaad). In 1992 is, ter gelegenheid van de 500e sterfdag van Piero een route uitgezet langs de plaatsen in Toscane waar zijn werk zich bevindt. Zijn compositie is perspectivisch knap en van een sterke architectonische opbouw. De lichtbehandeling is heel bijzonder.

De tijd van het groothertogdom Toscane, 16e-18e eeuw

Na een korte verbanning keerden De' Medici in 1532 terug. Alessandro werd hertog van Florence. Zijn opvolger Cosimo I werd in 1569 groothertog van Toscane. Deze vorsten stichtten universiteiten en kunstacademies. Er was weer veel nieuwbouw. Zo vergrootten Vasari en Ammanati het Palazzo Vecchio en het Palazzo Pitti. Het Uffizi werd gebouwd, eerst als kantoor voor de groothertog, maar al spoedig als museum. Michelangelo Buonarotti bouwde de nieuwe sacristie van de San Lorenzo en de Laurentiaanse bibliotheek. Buontalenti ontwierp de gevel van de Santa Trinitˆ.

Met Leonardo da Vinci en Rafaël bracht Michelangelo de Florentijnse kunst tot de grootste bloei. Raffaello Sanzio was geboren in Urbino en werd leerling van Perugino. Na een kort verblijf in Florence trok hij naar Rome. In het Uffizi en het Pittimuseum zijn belangrijke werken van hem te zien.

In de 16e eeuw ontstond een stijl, die het maniërisme wordt genoemd. De nadruk hierbij valt op virtuositeit en detaillering. Onder kunsthistorici is er lange tijd strijd gevoerd over de vraag, of het alleen maar 'kunstig' is of een consequente voortzetting van de Renaissancekunst. Hoe dit zij, het maniërisme gedijde in de verfijnde sfeer van de 16e-eeuwse vorstenhoven, zoals dat van De' Medici. Andrea del Sarto gaf de toon aan; navolgers waren Vasari, Pontormo en Rosso Fiorentino. Vasari heeft ook als architect gewerkt aan het Uffizi en de verbouwing van het Palazzo Vecchio. Zijn muurschildering in dit stadhuis verheerlijkt De' Medici. Op last van Cosimo I stichtte hij de Accademia del Arte e del Disegno in 1561. Ook schreef hij 'Levensbeschrijvingen van de voortreffelijkste bouwmeesters, beeldhouwers en schilders', nog altijd een onmisbare bron van kunsthistorische kennis. De architect Buontalenti ontwierp de vesting Belvedere, landhuizen en toneeldecors. Salviati en Bronzino beschilderden zalen in het Palazzo Vecchio. Giambologna maakte ruiterstandbeelden van Cosimo I en Ferdinando I en beelden in de Loggia dei Lanzi. Benvenuto Cellini bracht de goudsmeedkunst van Florence naar Frankrijk.

Met de bloei van de academies en kunstscholen zette de verstarring in; er werd weinig nieuws meer geschapen. De barok en het classicisme hebben weinig in Toscane opgeleverd. Tacca en Caccini als beeldhouwers en Allori en Rosselli als schilders zijn nog vermelding waard. Batoni uit Lucca paste het classicisme toe; hij werd later pauselijk hofschilder in Rome.

De 19e en 20e eeuw

De stadsmuren van Florence werden in de 19e eeuw gesloopt en vervangen door een gordel van wegen. Ook werd over de omringende heuvels de Via dei Colli aangelegd, met het hooggelegen Piazzale Michelangelo, vanwaar men een schitterend uitzicht op de stad heeft. De 'Jugendstil', die in Italië 'floreale' heet (bloemenstijl), is vooral te zien in de badplaats Viareggio. Een bekend 20e-eeuws gebouw is het station van Florence (1934). Als beeldhouwers werden bekend Bartolini en in recente tijd Marino Marini. Als variant op het Franse impressionisme had men hier de 'macchiaioli', die in de vrije natuur (de macchia) werkten en veel studie maakten van het licht, zoals Giovanni Fattori, Silvestro Lega en Telemaco Signorini. De bekendste moderne schilder is wel Amadeo Modigliani, met vooral gestileerde portretten.