Buitenlandse dichters en schrijvers in Florence

In de 14e eeuw reisde Geoffrey Chaucer uit Engeland naar Florence op een diplomatieke missie. Zijn beroemde ‘Canterbury Tales’ zijn zeker beïnvloed door de verteltrant van Boccaccio in diens ‘Decamerone’. De Franse filosoof Montaigne bezocht Florence in 1580, waarbij hij zich nogal laatdunkend uitliet over de villa’s en tuinen die hij er zag.

De Hollandse dichter-historicus P.C. Hooft kwam omstreeks 1600; invloed van Petrarca in zijn verzen is aantoonbaar. De Engelsman John Milton (‘Paradise Lost’) reisde in 1638-39 naar Florence en Rome.

Omstreeks 1740 ontving de Engelse gezant aan het hof van de groothertog van Toscane, sir Horace Mann, in zijn huis aan de Arno tal van Engelse schrijvers, zoals Horace Walpole en Thomas Grey. Dr. Samuel Johnson bezocht de stad in 1750.

Goethe reisde van 1786-88 naar Italië, waarover hij schreef in zijn ‘Italienische Reise’. Ook Heinrich Heine maakte zo’n reis. De Fransman Stendhal, als diplomaat naar Florence gezonden, besteedde zijn tijd vooral aan het bestuderen van de renaissancekunst en aan het schrijven van zijn boek ‘Le Rouge et le Noir’ (1831). De kunstschatten in de Santa Croce deden hem duizelen en flauwvallen. Deze ‘ziekte’, die ook bij latere bezoekers voorkwam, werd het ‘Stendhalsyndroom’ genoemd.

De Russische schrijver Dostojevski streek als banneling neer in Florence, waar hij woonde naast het Pittipaleis. Daar voltooide hij ‘De Idioot’.

In de 19e eeuw waren het echter vooral Engelse dichters en schrijvers, die zich in en om Florence tijdelijk of blijvend vestigden. De uit Engeland verbannen Lord Byron schreef in Italië ‘Childe Harold’s Pilgrimage’. De romantische auteurs Shelley, Macaulay, John Ruskin en Charles Dickens bezochten Florence dikwijls. Shelley schreef zijn lyrische drama ‘Prometheus unbound’ in Florence. Hij verdronk in 1822 in de Tyrrheense Zee bij La Spezia. Koningin Victoria kwam naar Toscane om er te schilderen. De ouders van de legendarisch geworden verpleegster Florence Nightingale hadden hun dochter in 1820 genoemd naar de stad waar zij geboren was.

De Amerikaanse schrijvers Longfellow, Henry James en Mark Twain woonden in Florence. Twain verdiende aanvankelijk zijn reis door met rijke landgenoten door Italië te reizen. Hij beschreef Florence op ironische wijze in ‘Innocents Abroad’. Henry James’ ‘Portrait of Places’ geeft een gevoelig beeld van Florence omstreeks 1870. George Eliot’s roman ‘Romola’ speelt in Florence tijdens de renaissance. In ‘Middlemarch’ beschrijft zij de contrasten tussen het puritanisme van de Engelsen en de vitaliteit van de Italianen.

Het echtpaar Robert en Elisabeth Browning woonde van hun huwelijksdatum af (1847) tot Elisabeth’s dood in 1861 in Florence, in Casa Guidi, waar zij tal van schrijvers en intellectuelen ontvingen: Harriet Beecher-Stowe, Trollope, Tennyson, Hawthorne, Lowell, Wordsworth. Zij waren ook actief in de ‘Risorgimento’-beweging, die streefde naar de Italiaanse eenwording, waardoor zij bevriend raakten met de kopstukken daarvan: Garibaldi, Mazzini en Cavour. Casa Guidi herbergt nog altijd het Browning Institute (Piazza S. Felice 8) en kan worden bezocht.

In de 20e eeuw was het E.M. Forster, die met zijn succesroman ‘Room with a View’ – in recente tijd verfilmd – op ironische wijze de Engelse bezoekers in Florence portretteerde. We zien er de confrontatie van het zeer Engels-puriteins opgevoede meisje, bewaakt door een chaperonne, met de andere cultuur en de hartstocht, die daaruit voortkwam. Virginia Woolf beschreef de bevolking op koel-ironische wijze. D.H. Lawrence, die een sombere villa in Scandicci bij Florence bewoonde, beschreef Toscane in ‘Aaron’s Rod’.

Na 1945 bezocht Dylan Thomas Toscane en was er verrukt van; hij werd ‘ziek’ van de ‘vini, contadini, bambini’. De Amerikaanse Mary McCarthy noemt Florence een ‘mannelijke’ stad, streng en afwerend, tegenover b.v. Venetië en Siena, die een bekoorlijk-vrouwelijke uitstraling hebben’.

De Engels-Florentijnse schrijfster/historica Iris Origo begreep de volksaard beter dan de Engelsen. In ‘War in Val d’Orcia’ schrijft zij over een dramatische episode uit het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog. Ook publiceerde zij een belangrijke historische roman ‘The Merchant of Prato’; op grond van documenten, die onder een huis in Prato zijn gevonden geeft zij een levendig beeld van de handel en het persoonlijk leven van een rijke Toscaanse koopman omstreeks 1400.

Van de Nederlandse schrijvers, die over Toscane geschreven hebben noemen wij Louis Couperus, Arthur van Schendel, C.S. Adama van Scheltema en het echtpaar Scharten-Antink. In recente tijd was het vooral Hélène Nolthenius, die jaren in Toscane woonde en belangwekkende boeken schreef, zoals ‘Duecento’ over leven en kunst in Toscane in de 13e eeuw, ‘Renaissance in Mei’ en ‘De Man uit het dal van Spoleto’, over het leven van Franciscus van Assisi.

Door veel buitenlandse schrijvers is Toscane beschreven, vaak weinig realistisch, meestal over-idealistisch. De Engelse gemeenschap in Toscane (‘Chiantishire’) was doorgaans weinig geïnteresseerd in de ware aard van de tegenwoordige bevolking. Zij had er dan ook zo min mogelijk contact mee, leefde als het ware op een eiland. Sinds de 19e eeuw hadden de Engelsen hun eigen winkels in Florence voor thee en boeken, eigen artsen en apothekers en zelfs eigen kranten.