Geografie van (Midden-)Italië

Klaprozen in Toscane
Klaprozenveld in Toscane, ©Jürgen Kofler

Italië heeft ca. 58 miljoen inwoners en is na Duitsland en Groot-Brittannië het volkrijkste land van Europa. Het heeft een oppervlakte van 300.000 km2, een lengte van noord tot zuid van 1200 km en een kustlijn van 7.456 km.

Geografisch is het land duidelijk een eenheid. Het omvat het hele schiereiland en wordt in het noorden begrensd door de Alpen. Toch is de nationale eenheid pas van recente datum.

De ideeën over een staat, gebaseerd op een gemeenschappelijke taal, de volkswil en de natuurlijke grenzen, dateert pas van de Franse Revolutie (eind 18e eeuw). Na de overheersing door Napoleon was Italië, net als daarvoor, een lappendeken van staatjes, met Oostenrijk en de paus als voornaamste machten. In die tijd, begin 19e eeuw, begonnen patriotten te ageren voor nationale eenheid, die ten slotte in 1870 voltooid werd (zie volgend hoofdstuk).

De geologische structuur van Italië is duidelijk. Van de alpine plooiing takt een bergrug af naar het zuidoosten, de Apennijnen, als ruggegraat van het hele schiereiland en zich voortzettend op Sicilië. Italië is vooral een bergachtig land, afgewisseld door kleine vlakten en één grote vlakte, die van de Po in het noorden.

Eenheid van het geheel en verscheidenheid in detail is typerend voor de topografie en de geschiedenis van het land. Na de val van het Romeinse Rijk werd Italië het toneel van krachtig regionalisme. De zee is overal dichtbij; klimaatverschillen ontstaan door de ligging ten opzichte van de breedtegraad en door de meer maritieme of meer continentale ligging, zoals de Povlakte.

Door de bergachtige structuur waren er altijd transportproblemen op het land. Vitaal waren steeds de verbindingswegen tussen de havens en de centra in het binnenland. Sommige zeehavens kwamen tot grote bloei zoals Venetië, Genua en Pisa. Maar toen in de tweede helft van de 19e eeuw Italië als verenigde onafhankelijke staat verrees uit de lange periode van verval hadden nog maar enkele steden meer dan lokale betekenis.

Begin 20e eeuw herstelde Italië zich snel. Er werd een grote koopvaardijvloot gebouwd en een dicht net van spoorwegen en straten, sommige op basis van de oude Romeinse heerbanen.

Bij het reizen door Italië blijkt hoe moeilijk het terrein is: spoorwegen en autowegen lopen over grote afstanden door tunnels of over bruggen; alleen de Povlakte kent 'normaal' verkeer.

Terwijl de topografie een scheidend effect heeft, is het klimaat grotendeels gelijk. Het is vooral mediterraan, met warme zomers en milde winters. Alleen de Povlakte heeft een gematigd continentaal klimaat, met grotere verschillen tussen zomer- en wintertemperaturen. Temperaturen in het noorden en zuiden zijn wel verschillend, evenals die in hoog- of laagland. De neerslag is overvloedig, alleen heeft de zuidhelft van Italië een droge periode in de drie zomermaanden. 's Zomers vooral zijn de kleuren in het zuiden zeer helder, elders wat gedempter.

De indeling in drieën is geografisch bepaald: het noorden, het midden en het zuiden, inclusief Sicilië en Sardinië. Het zuiden, de 'mezzogiorno', heeft een andere geschiedenis dan het noorden en midden; de sociale en culturele situatie is er zuiver mediterraan. Het is het arme probleemgebied, zich uitend in emigratie van arbeidskracht naar het rijke noorden of naar het buitenland, en in sociale missstanden.

Midden-Italië

Tussen de Apennijnen en de Tyrrheense Zee ligt een zachtgolvend heuvelland. De spoorlijn Florence-Rome volgt een lengtedal, evenwijdig aan de bergrug. De Apennijnen reiken zelden tot boven 2000 m, alleen de Abruzzen zijn hoger (Gran Sasso, 2914 m). Langs de flank van de Apennijnen liggen diep geërodeerde dalen. Het verkeer gaat moeizaam, met tunnels en bruggen. Op elk bruikbaar stukje grond worden olijfbomen en druiven geplant. Veel oorpronkelijk beboste hellingen zijn ontbost of door schapen en geiten overbegraasd. Met grote inspanning zijn herbebossingsprojecten aangevat.

Het landschap van Toscane en Umbrië is in feite nog gelijk aan wat we zien op de schilderijen van de Florentijnse Renaissance: dezelfde rijen cipressen, dezelfde schilderachtige wijn- en olijfgaarden en okerkleurige huizen met rode daken op de heuvels, beschaduwd door pijnbomen. Dit is inderdaad een 'klassiek' landschap, volmaakt mensenwerk, met grote vlijt en fijne smaak door de bevolking volgens oude traditie ingericht.

De onbetwiste hoofdstad is Florence, in het Arnodal gelegen. Door de agrarische rijkdom van de omgeving en de handel in en bewerking van huiden en wol werd de stad rijker en begon de omgeving te overheersen. Er werd zilver gedolven in de naburige bergen, waarvan sieraden werden gemaakt. Vorsten en kooplieden maakten Florence tot hoofdstad van de wolindustrie van Italië in de middeleeuwen. De renaissance als bloeitijd van kunst is hier begonnen. De' Medici leverden pausen aan Rome en koninginnen aan Frankrijk. Vandaag de dag is het nog een schatkamer van historische architectuur; het is een stad van buitengewone charme, maar ook een belangrijk industrieel en politiek centrum.

Florence's middeleeuwse rivaal Siena, hoger in de heuvels, heeft zich moeten onderwerpen aan de hoofdstad. Aan de kust heeft Pisa zijn havenfunctie verspeeld aan Livorno, waar veel zware industrie werd gevestigd.

Toscane is een welvarend gebied met vooral kleine boerenbedrijven. Het vroegere moerasgebied de Maremma is gedraineerd en daar hebben zich veel boeren uit de heuvels gevestigd.

Toscane kent vanouds mijnbouw: ijzer (o.a. op Elba), magnesiet en marmer (Carrara), koper, kwik (Colline Metallifere).

In Umbrië is het reliëf sterker en het landschap ruiger. Er zijn hoogvlakten met meren en dode vulkanen.

De economische en politieke situatie van Italië

Het fascistische bewind van Mussolini voerde een politiek van prestige en agressie om Italië snel op te stoten tot een grote mogendheid. Als gevolg van de nederlaag als bondgenoot van Duitsland verloor het land na de Tweede Wereldoorlog Istrië en Dalmatië en de koloniën. Italië's economische problemen zijn terug te voeren op twee oorzaken:

a) Het natuurlijke milieu: sterk reliëf, droogte en gebrek aan grondstoffen als steenkool en aardolie.

b) De historische erfenis: achterstand, vooral in de Mezzogiorno, gebrek aan kapitaal. Arbeidskracht is er genoeg, zelfs te veel.

Het toerisme is een belangrijke economische factor. Men bezoekt het land om zijn natuurschoon en historische monumenten. Als reactie op een langdurig 'tweederangsgevoel' ten opzichte van de staten in Noordwest-Europa was Italië geneigd zich tot het fascisme te bekeren met zijn radicale politieke beloften. Na de oorlog werd het communisme met soortgelijke beloften voor een heilstaat een voor velen aantrekkelijk alternatief, tegenover de christen-democratie van de heersende klasse. In feite leefde men toch in de praktijk redelijk samen, zoals de onsterfelijke 'don Camillo' laat zien, het verhaal van de gemoedelijke dorpspastoor en de communistische burgemeester. Nu ook het communisme - Italië had na de Sovjetunie de grootste communistische partij - weggevallen is, bevindt het land zich opnieuw in een politieke crisis. Nieuwe scheidslijnen doemen op, vooral die tussen het welvarende noorden en het arme zuiden. De Noorditalianen vinden, dat er teveel belastinggeld naar het zuiden gaat voor grote ontwikkelingsprojecten. Van dat geld verdwijnt heel wat in het mafiacircuit. De zuiderling daarentegen stelt, dat zonder zijn arbeidskracht in de noordelijke bedrijven er nooit zo 'n grote welvaart had kunnen ontstaan.

Italië was in het begin van de 20e eeuw een emigratieland, vooral naar Noord- en Zuid-Amerika en Frankrijk. Na 1945 vooral naar het noorden van het eigen land, naar Zwitserland en nog wat later naar Duitsland, toen zich daar het 'Wirtschaftswunder' had voltrokken.

De Italiaanse regering heeft, met financiële steun van de Europese Unie veel geld gepompt in de agrarische en industriële ontwikkeling van het zuiden, de Mezzogiorno. Toch is er nog een grote achterstand, ook door de corruptie en wijdverbreide misstanden in de relatie tussen politici en de duistere machten van de mafia (Sicilië), de camorra (Napels) en de 'ndrangheta (Calabrië).

De Marken vormen de voortzetting van Toscane en Umbrië naar het noordoosten, tussen de Apennijnen en de Adriatische Zee.

Tussen de bosrijke heuvels en langs de kust liggen oude schilderachtige stadjes. Er zijn veel aantrekkelijke badplaatsen.