Geschiedenis

Decamerão van Giovanni Boccaccio
Decamerão van Giovanni Boccaccio

Oudheid

Reeds in de steentijd, het Neolithicum, was Italië bewoond, o.a. door de Liguriërs. Later, in de bronstijd, kwamen er Indogermanen uit het noorden met de Terramarecultuur. Zij woonden in versterkte dorpen op palen in de Povlakte. In de ijzertijd, omstreeks 1000 jaar v.C., kwamen nieuwe stammen uit het noorden binnen met de z.g. Villanovacultuur, die tot in Latium doordrongen, waaronder:

• de Latijnse volken in Latium en het Tiberdal, met lijkverbranding en bijzetting van de urnen in grotten;

• de Umbrisch-Sabellijnse volken in Umbrië, Campanië en Zuid-Italië, die hun doden begroeven;

• de Illyriërs uit het Donaugebied, die de uit Azië overgenomen ruiterij introduceerden.

De naam Italië komt van Vituli, jonge stieren, zonen van de stiergod. De naam Italië gold eerst alleen voor het Zuidwesten, later voor het hele schiereiland.

Omstreeks 900 v.C. begon de immigratie van de Etrusken of Etruriërs, waarschijnlijk uit Klein-Azië afkomstig, naar Midden-Italië. Zij beheersten weldra het gebied tussen Arno en Tiber, het metaalrijke Toscane.

In de 8e eeuw v.C. begon de stichting van koloniën door de Grieken in Zuid-Italië en op de eilanden. Door de handel beïnvloedden zij de Etrusken. Dit volk werd in de oudheid Tusci of Etrusci genoemd, vandaar de naam Toscane. De Grieken noemden hen Tyrrhenoi, aan welke naam nog de Tyrrheense Zee herinnert.

Omstreeks 600 v.C. werd tussen de Etruskische steden de Twaalfstedenbond gesticht; in de 6e eeuw breidden de Etrusken hun macht uit naar het noorden tot de Povlakte en naar het zuiden tot over Latium en Campanië. Verder naar het zuiden stuitten zij op de Grieken. Die werden door een gecombineerde Etruskisch-Carthaagse vloot in 540 v.C. bij Corsica verslagen. De Etrusken beheersten toen het gehele Noordwesten van de Middellandse Zee, als handelaars of zeerovers. Zij heersten ook over Rome, waar zij de vroege koningen leverden.

Volgens een door Herodotus opgetekende en later door Vergilius navertelde overlevering kwamen de Etrusken uit Lydië in Klein-Azië.

De Etruskische beschaving vertoont zeker oosterse kenmerken, zoals het voorspellen van de toekomst uit de ingewanden van offerdieren en uit de vlucht van de vogels. Er zijn Egyptische en veel Griekse vazen in de graven aangetroffen. Het atrium (binnenhof) van het Romeinse huis en de constructie van bogen en gewelven is van de Etrusken afkomstig. Ook de fabeldieren in de Etruskische graven zijn uit het oosten afkomstig.

De beeldhouwkunst is sterk beïnvloed door de Oudgriekse (Myceens-archaïsche) beschaving. De Romeinen namen de Griekse goden over, niet rechtstreeks, maar via de Etrusken. De Etrusken handelden met Grieken en Feniciërs. De handel op Carthago, de rijke Fenicische kolonie, was in handen van de Etrusken.

De sage van Aeneas, stamvader van de Romeinen

(Naar Vergilius' heldendicht 'Aeneïs')

De Trojaan Aeneas, zoon van Venus, uit het brandende Troje ontsnapt, voer met zijn vader Anchises, zijn zoontje Ascanius en tal van makkers op een twintigtal schepen weg om, volgens de beschikking van het noodlot, in Italië een nieuw rijk te stichten.

Op zijn tocht werd hij tegengewerkt door Juno, de beschermster van Carthago. Bij zijn vertrek van Sicilië liet Juno de god van de wind Aeolus een geweldige storm op de kleine vloot loslaten. De zeegod Neptunus bracht echter de golven weer tot bedaren. Intussen waren de schepen deels vergaan, deels uiteengedreven. Aeneas kwam zo op de kust van Afrika terecht. Daar ontving de Fenicische koningin Dido, die Carthago gesticht had, hem vriendelijk en liet hem vertellen over het beleg van Troje en over de gevaarvolle zeereis daarna. Aeneas werd door zijn moeder Venus vergund met Dido te trouwen. Dit geschiedde, maar de oppergod Jupiter herinnerde Aeneas aan zijn noodlot. Aeneas besloot toen zijn schepen in gereedheid te brengen. Dido kon dat niet verdragen en maakte een eind aan haar leven.

Na een tussenlanding op Sicilië en met kalme zee, dank zij Neptunus, op voorspraak van Venus, voer men eindelijk op Italië af. Bij Cumae gingen de mannen aan land. Allereerst begaf Aeneas zich, begeleid door de Sibylle, naar de onderwereld om zijn gestorven vader Anchises te bezoeken. Eindelijk aangekomen op de Elyseese Velden voerde Anchises zijn zoon naar een heuvel, van waar hij hem een lange reeks nakomelingen toonde: de Romeinse koningen en ten slotte keizer Augustus, wiens roem nu reeds werd aangekondigd. Anchises voorspelde Aeneas veel moeite en strijd, die hem in Italië wachtten, maar voorzag als beloning de wereldheerschappij voor het Romeinse volk. Daarna kon Aeneas naar de aarde terugkeren.

Men zette nu koers naar de monding van de Tiber, waar de Trojanen een versterkt kamp bouwden. Koning Latinus ontving hen gastvrij en bood Aeneas de hand van zijn dochter Lavinia aan. Juno echter stookte de partijen tegen elkaar op. Na zware strijd behaalde Aeneas de overwinning op de Latijnen, huwde Lavinia en stichtte de naar haar genoemde stad Lavinium. Van hieruit stichtte zijn zoon Ascanius Alba Longa en van daar uit legden Romulus en Remus later de grondslagen voor de stad Rome.

De hogere stand was welvarend, zelfs decadent. De kunst was eerst stijf en ornamenteel, maar ook realistisch. De latere afbeeldingen zijn natuurgetrouw. Terwijl de Grieken ideale mensen afbeeldden, waren de portretten van de Etrusken meedogenloos reëel. De muurschilderingen in de grafkamers tonen zowel afschrikwekkende fantasiewezens als zinnelijke taferelen uit het welvarende leven, met verfijne elegantie weergegeven. Het letterschrift is Grieks, maar de taal is totnogtoe vrijwel niet ontcijferd.

Etrurië was geen staat, maar een stedenbond, geregeerd door koningen en hun ambtenaren. De ambtstekenen (insignia) waren een toga met purperen rand, een ivoren troon en een gevolg van dienaren (lictores) met bijl en roedenbundel (fasces) als symbool van macht. De doden werden met offerfeesten en gladiatorenspelen bijgezet in grafheuvels (tumuli). Onder Griekse invloed maakte men fresco's. Typisch Etruskisch zijn de canopen, asurnen met deksels als mensenhoofden.

In het algemeen kan gezegd worden, dat de Etrusken de bemiddelaars waren tussen de Griekse en de Romeinse cultuur.

Volgens de overlevering vond omstreeks 750 v.C. de stichting plaats van de stad Rome door de broers Romulus en Remus, die door een wolvin gezoogd waren. In de 7e en 6e eeuw heersten de Tarquinii als Etruskische vorsten in Rome. Toen de Etruskische vorsten waren verdreven, werd ca. 500 v.C. de republiek uitgeroepen, met twee consuls, die voor een jaar uit de edelen werden gekozen. Toen begon de expansie van Rome. Gevaar kwam nog van de Galliërs, die uit de Povlakte naar het zuiden oprukten. In 390 verwoestten zij Rome. Na een lang beleg van het Capitool lieten de Galliërs zich ten slotte afkopen. Rome herkreeg Latium; in de volgende eeuw onderwierp het de Samnieten, de Umbriërs en daarna de Etrusken. Met de val van Volsinii (Orvieto) in 264 was het gedaan met de macht van Etrurië. Rome's invloed reikte nu tot de Arno. Na de oorlog tegen koning Pyrrhus van Epirus en de slag bij Beneventum (275) sloten ook de Griekse koloniën zich bij Rome aan.

Nu was de grote afrekening met Carthago aan de beurt. Na de 1e Punische Oorlog in 241 v.C. werden Sicilië en Sardinië veroverd. De 2e Punische Oorlog (218-201) bracht Rome in doodsgevaar door de opmars van de Carthaagse veldheer Hannibal van Spanje uit, met zijn leger, versterkt met olifanten, over de Alpen tot diep in Italië. De Romeinen leden zware nederlagen, bij het Trasimeense Meer en bij Cannae. Rome's bondgenoten liepen al over naar Hannibal. Deze kreeg echter onvoldoende steun uit Carthago en moest toen terug naar Afrika. Intussen had de Romeinse veldheer Scipio Spanje en Sicilië aan Carthago ontnomen. Ten slotte werd Carthago door Scipio verslagen en verwoest. Rome beheerste nu het gehele westelijke Middellandse-Zeegebied en Spanje.

Toscane: in 177 v.C. werd Lucca gesticht, in 59 v.C. Florentia (de bloeiende), het latere Florence, als veteranenkolonie. In 300 na Chr. maakte keizer Diocletianus Florence tot hoofdstad van Toscane en Umbrië.

In 476 werd de laatste Romeinse keizer afgezet door de Germaanse koning Odoaker. Dit betekende het einde van het (west) Romeinse Rijk en daarmee van het tijdperk dat wij de oudheid noemen.

Middeleeuwen

In de jaren na 535 veroverde het Oostromeinse of Byzantijnse Rijk onder keizer Justinianus grote delen van Italië, versloeg de Oostgoten onder Theodorik en maakte Ravenna tot hoofdstad. Eind 6e eeuw kwamen de Longobarden uit het noorden en vermengden zich met de aanwezige inwoners.

Dante Alighieri, 1265-1321

De Florentijn Dante is de grootste dichter van Italië en een van de grootste van de wereldliteratuur. Zijn werk geldt als symbool van de continuïteit tussen het Rome van de oudheid en het moderne Italië. Hij is de 'vader' van de Italiaanse taal en literatuur. Als man van de daad streefde hij naar de verwezenlijking van zijn ideeën:

 zijn droom van een vrije stadstaat, waarvoor hij als krijgsman en als politicus streed. Hij was prior van Florence;

 toen hij in 1302 ter dood veroordeeld in ballingschap ging, droomde hij van herstel van de Westerse eenheid in een nieuw Romeins Rijk onder de Duitse keizer.

In zijn sonnetten en canzoni overtrof Dante al zijn tijdgenoten. Hij zag twee bestemmingen voor de mens, een hemelse, geleid door de paus en een aardse, geleid door de keizer. Hij betrok dit op het individuele leven.

Op deze gedachte berust zijn beroemdste allegorische dichtwerk de Divina Commedia, een spirituele pelgrimstocht, waarbij de dichter geleid wordt door Vergilius (de geest van de ratio), door hel en vagevuur tot het aards paradijs. Van daar leidt Beatrice (symbool van goddelijk weten uit de Openbaring) hem door de negen hemelsferen tot de aanschouwing van de godheid zelf. In een veelheid van taferelen getuigt dit werk van een visionaire kracht, een inzicht in mens en wereld en bovenal van een ongeëvenaarde schoonheid van vorm en taal.

Giovanni Boccaccio, 1313-1375

Ook Boccaccio is uit Florence afkomstig. Terwijl Dante en Petrarca gevoelens en ideeën verwoordden, beschreef Boccaccio het dagelijks leven. Hij moest aanvankelijk van zijn vader koopman worden, maar tijdens zijn studie in Napels vormde zich zijn dichterlijke geest. Voor een door hem aanbeden gehuwde prinses schreef hij tal van liefdessonnetten. Wereldfaam kreeg Boccaccio door de novellencyclus de Decamerone (tien dagen). Het zijn de vertellingen van zeven schone jongedames en drie galante heren, die het door de pest geteisterde Florence waren ontvlucht. Op een fraai landgoed vermaakten zij elkaar door om de beurt een geestig verhaal te vertellen. De vertelstof is ontleend aan alle standen en zeer realistisch gebracht, vol komische, vaak pikante details. Het meest voorkomende motief is de slimme dame, die haar onnozele echtgenoot bedriegt. Terwijl Dante de schepper was van de nieuwe poëzie, was Boccaccio het van het verhalende proza. Als geleerd humanist heeft hij ook veel betekend voor de universiteit van Florence.

In 774 riep de paus, die zich bedreigd voelde door de Longobarden, de hulp in van de Franken. Dezen veroverden toen Italië en schonken de paus een gebied om Rome als 'patrimonium Petri', de Kerkelijke Staat. In 800 liet Karel de Grote zich door de paus tot keizer kronen. In de 9e en 10e eeuw werden Toscane en Umbrië bestuurd door markgraven, namens de keizer. Hoofdstad was eerst Lucca, na 1000 Florence.

Pisa werd een zeemacht; het rustte kruisvaardersvloten uit, tot de nederlaag tegen Genua er in 1284 een einde aan maakte.

Siena beleefde, dankzij de vele pelgrims, die naar Rome trokken, een bloeitijd van de 12e eeuw tot het grote pestjaar 1348. Gedurende de 12e en 13e eeuw vond er een machtsstrijd plaats tussen keizer en paus over de investituur (de bevoegdheid om bisschoppen te benoemen, die tevens wereldlijke heersers waren). Sommige steden, waaronder Florence, kozen de kant van de keizer (Ghibellijnen), andere, o.a. Pisa en Siena, die van de paus (Guelfen).

Renaissance

Het Huis De' Medici (ca. 1400-1737)

In 1429 liet de koopman-bankier-fabrikant Giovanni 'di Bicci' De' Medici op zijn sterfbed een groot vermogen en een grote macht na. Hij had Florence tot het grootste financiële centrum van Europa gemaakt. Vorsten en pausen stonden bij hem in de schuld. Die macht berustte wel in belangrijke mate op de zeer lage lonen van de handarbeidersÉ Alle geestelijke en culturele rijkdom van de Renaissance betrof slechts een kleine elite.

De grootste bloei begon met Giovanni's zoon Cosimo 'Il Vecchio' de' Medici (de Oude). Hij was de leider van de Volkspartij. In 1433 werd hij door een staatsgreep van de vijandige adel verbannen, maar een jaar later liet hij zich weer terugroepen. Als wraak werden tachtig aanzienlijke families uit Florence verbannen.

Cosimo voerde een verstandig beleid. Zijn verbond met Milaan onder de Sforza's bevorderde het politieke evenwicht in Italië, vooral tegen Frankrijk. Cosimo beschermde kunst en wetenschap, waardoor Florence het centrum werd van het humanisme, geïnspireerd op studie van de klassieke oudheid en van de Renaissance ('wedergeboorte') van de kunst. Florence had in die tijd 130.000 inwoners en was (toen al!) de mooiste stad van Europa. Cosimo liet kerken en kloosters bouwen door de beste bouwmeesters. Hij richtte de 'Platoonse Academie' op en een grote bibliotheek.

Girolamo Savonarola (1452-1498)

Savonarola was als dominicaans boeteprediker naar Florence gekomen, waar hij abt van het San Marcoklooster werd. In zijn preken klaagde hij de misstanden van de kerk en van zijn orde aan. Aanvankelijk genoot hij de steun van De' Medici en van de paus. Na 1490 ging hij ijveren voor een volksregering onder het koningschap van Christus. Van 1494 tot 1498 heerste hij over Florence; hij eiste puriteinse zedelijkheid en liet tal van boeken en 'immorele' kunstwerken verbranden. Koning Karel VIII van Frankrijk, die Italië veroverd had, steunde hem. Toen echter de Fransen wegtrokken werd Savonarola gevangen genomen op beschuldiging van rebellie tegen de paus, ter dood veroordeeld en verbrand op de Piazza della Signoria in 1498.

Niccolo Machiavelli (1468-1527)

Machiavelli was in Florence diplomaat en magistraat. Hij klom op tot kanselier, waardoor hij alle vorstenhoven van Europa bezocht en vertrouweling werd van de paus. Toen De' Medici in 1504 de macht hernamen belandde hij in de gevangenis; later werd hij verbannen. Toen schreef hij zijn beroemd geworden boek 'Il Principe' (de vorst), waarin hij betoogde, dat de vorst het staatsbelang als enig richtsnoer moest nemen en het met elk middel verdedigen. Onderdanen moet men goed behandelen, of anders vernietigen. Een vorst kan beter gevreesd zijn dan bemind. Ook hoeft hij zich niet aan beloften te houden, als het staatsbelang dat vereist. Machiavelli's theorie, later wel 'Machiavellisme' genoemd, is cynisch en gewetenloos en tot de huidige dag op ruime schaal toegepast.

Cosimo's zoon Pietro was zakenman en diplomaat. Hij had aan Engeland en Bourgondië grote leningen verstrekt. Het filiaal in Brugge, centrum van de wolhandel, bloeide op.

Na Pietro's dood kwam zijn zoon Lorenzo 'Il Magnifico' de' Medici, 20 jaar oud, aan de macht. Zijn leiderstalent, intelligentie en charme maakten hem tot een van de grootste figuren van zijn tijd. Spoedig kreeg hij de bijnaam 'Il Magnifico' (de Schitterende). Aan zijn hof ontving hij de beroemdste kunstenaars en geleerden. Lorenzo was diepzinnig en opgewekt, fijnzinnig en gevoelig. Zelf was hij ook een verdienstelijk dichter.

Financieel ging het een tijdlang slechter, doordat koning Edward IV van Engeland zijn lening niet terugbetaalde. De filialen in Brugge en Londen moesten met verlies verkocht worden. Ook probeerden de Pazzi's een aanslag op het leven van Lorenzo. Deze ontkwam ternauwernood, maar zijn broer Giuliano werd gedood. De paus, die de macht van De' Medici wilde breken, verbond zich met Napels, Siena en Lucca. Lorenzo wist Napels over te halen vrede te sluiten en hervatte zijn bewind.

Als gevolg van de grote ontdekkingsreizen veranderde de economische situatie in Europa drastisch; het zwaartepunt verplaatste zich van Italië naar Portugal en Spanje. Met Lorenzo's dood in het befaamde jaar 1492 - ontdekking van Amerika en einde van de moslimheerschappij in Spanje door de val van Granada - eindigde ook het beroemdste tijdperk van Florence en daarmee van de Italiaanse Renaissance.

Opvolger van Lorenzo was de onbekwame Pietro. Toen de Fransen onder hun koning Karel VIII in 1494 eerst Milaan en toen Florence innamen, vluchtte Pietro de stad uit. De' Medici werden vervangen door een republiek onder leiding van de fanatieke priester Savonarola (zie kader). Intussen had Karel ook Rome en Napels veroverd. Toen wist echter de paus met behulp van Oostenrijk en Spanje de Fransen uit Italië te verjagen. Savonarola werd door de paus in de ban gedaan, door een opstand uit zijn macht gezet en op de brandstapel ter dood gebracht (1498). De republiek werd hersteld en onder druk van de paus werden De' Medici teruggeroepen.

Giovanni de' Medici werd paus (Leo X). In 1537 werd Cosimo I hertog van Florence, in 1569 groothertog van Toscane. Hij had de macht van Florence vergroot door in 1555 Siena en Lucca te veroveren. Toch was het in feite gedaan met de macht van De' Medici. De laatste telg uit het beroemde geslacht stierf in 1737; Toscane kwam in handen van het aan het Oostenrijkse keizershuis verwante Lotharingen.