Prato

Deze stad, met 160.000 inwoners, is het grootste textielcentrum van Italië. Dit gaat terug tot de 13e eeuw, toen vooral de wolhandel en -bewerking er bloeide. De oude binnenstad heeft tal van bezienswaardigheden.

De dom van Prato is gedeeltelijk Romaans (zuidkant) en verder gotisch: transept, koor en voorgevel. Een terracotta lunet van Andrea della Robbia siert de ingang. Het sobere interieur heeft groen marmeren zuilen. De preekstoel uit 1473 van Mino da Fiesole en Antonio Rossellino toont fijne reliëfs. De fresco’s in het koor zijn van Filippo Lippi. Zij geven een levendig beeld van de heiligen Stephanus en Johannes de Doper. De bekendste taferelen zijn ‘Het banket van Herodes’ en ‘Salomé’s Dans’.

Let op het gebruik van het licht en het perspectief. De koster kan voor de bezoekers het licht aandoen. In de Boccherinikapel (zuidtransept) zijn fresco’s van Paolo Uccello en Andrea del Gusto.

Francesco di Marco Datini, de koopman van Prato

In 1870 werd onder de vloer van het Palazzo Datini in Prato een aantal zakken gevonden, waarin zich een enorm aantal brieven en documenten bleek te bevinden. Dit was het complete zakelijke en particuliere archief van de 14e-eeuwse Pratese koopman Francesco Datini. Op grond van dit materiaal schreef Iris Origo het boek ‘The Merchant of Prato’, waarvan in 1985 een Nederlandse vertaling uitkwam (bij uitgeverij Contact).
Het boek geeft een indringend beeld van het dagelijks leven van een koopman en zijn gezin en van zijn zaken, reizen en financiële problemen.
Datini was ook de bedenker van de ‘promesse’ als handelsdocument. Hij handelde o.a. in wol, stoffen, graan, wapens, huiden, specerijen en juwelen. Uit zijn administratie worden de 14e-eeuwse handelswegen duidelijk.
Een route liep van de Levant naar Italië, Zuid-Frankrijk (Avignon) en Spanje (Barcelona). Zeelieden en kooplui uit Venetië, Genua, Pisa en Catalonië haalden de waren uit Constantinopel, Famagusta, Antiochië en Alexandrië en brachten er wol, stoffen, wapens en hout heen. Daarnaast waren er overland-routes van de Middellandse Zee naar Vlaanderen (Brugge) en Engeland (Londen). Producten uit Zuid-Europa en de Levant werden daarheen vervoerd en ruwe wol uit Engeland, laken uit Vlaanderen, linnen en tapijten uit Frankrijk en zelfs pelzen en metalen uit het Oostzeegebied teruggebracht. Ten slotte werd druk gehandeld tussen Italië en de Balkan en tussen Italië, Spanje en ‘Barbarije’ (N. Afrika). Uit het Zwarte-zeegebied werden huiden, metalen, hout en slaven aangevoerd, in ruil voor wol, textiel, olie, wijn en zout. De Italiaanse kooplui kochten in de Spaanse havens van Catalonië en Majorca en in Noord-Afrika wol en huiden, Spaanse wijn en fruit, leer en aardewerk (‘Majolica’, genoemd naar Majorca) en exporteerden uit Italië bewerkte stoffen, zijden kleren en andere luxe goederen. Francesco Datini wordt nog geëerd als degene, die de welvaart van Prato sterk heeft bevorderd.

De kapel van de Heilige Gordel (Capella del Sacro Cingolo) uit het einde van de 14e eeuw is afgesloten door een 15e-eeuws hekwerk. Hier wordt het reliek bewaard, waarover op de fresco’s van Agnolo Gaddi (1395) verhaald wordt. De Madonna met Kind op het altaar (1317) is van Giovanni Pisano.

Naast de dom is het Dommuseum, waarin o.m. de Buitenpreekstoel, ontworpen door Michelozzo en Donatello, bewaard wordt. Buiten aan de gevel is een kopie. Verder is er een ‘Aankondiging’ van Filippo Lippi en een fresco van P. Uccello. Het museum is geopend 9.30-12.30 en 15-18.30 uur, zo.morgen en di. gesloten.

De Legende van de Heilige Gordel

Volgens de overlevering kon de ongelovige Thomas de wederopstanding van Maria, noch haar hemelvaart aanvaarden. Haar graf werd geopend en bleek gevuld met bloemen, terwijl Maria haar gordel vanuit de hemel in Thomas’ handen liet vallen, als bewijs van haar opname in de hemel. Tijdens de kruistochten zou deze gordel via Pisa in Prato terecht zijn gekomen. Vijfmaal per jaar wordt het kostbare reliek op de buitenpreekstoel aan de bevolking getoond.

Het Piazza del Comune heeft sinaasappelbomen, een aardige fontein met Bacchus als kind, arcaden en publieke gebouwen. Het Palazzo Pretorio is een massief bouwwerk in Romaans-gotische mengstijl. Op de verdieping is het Museo Comunale, met daarin o.m. een barokbeeld van de jonge Bacchus van Tacca – het origineel; buiten op de fontein staat een kopie – en schilderijen van B. Daddi, L. Monaco, Filippo en Filippino Lippi. Het Castello dell’Imperatore (keizerlijk kasteel) is gebouwd in de 13e eeuw door keizer Frederik II om de macht van de Ghibellijnen te versterken. Dit massieve gebouw met zware hoektorens met kantelen is een voorbeeld van de Zwabische middeleeuwse bouwstijl.

Santa Maria delle Carceri (eind 15e eeuw), gebouwd door Giovanni da Sangallo. De voorgevel is bedekt met kleurig marmer, het interieur is van een harmonische renaissancestijl. In de fries zit een blauw-witte terracotta van Andrea della Robbia. De San Francescokerk, uit eind 13e eeuw, heeft een façade met wit-groen gestreept marmer. Binnen is een grafmonument door Bernardo Rossellino uit de 15e eeuw. In de kapittelzaal, die men door de kruisgang bereikt, zijn fresco’s van Niccolo di Pietro Gerini (1395).

Frà Filippo Lippi, (1406-1469)

Filippo Lippi werd als wees al vroeg in een klooster geplaatst. Daar bleek al snel zijn talent als schilder. Zo kwam hij in de gunst bij Cosimo de’ Medici, die hem veel opdrachten gaf. Hij was monnik, maar had dikwijls relaties met vrouwen. In Prato, waar hij lange tijd woonde, verleidde hij de mooie non Lucrezia Buti, die hij ontvoerde, toen zij op het Domplein stond te kijken naar de Heilige Gordel, die op de buitenpreekstoel werd getoond. In 1457 werd hun zoon Filippino Lippi geboren, die ook schilder zou worden. Filippo werd verbannen en belandde als slaaf in Afrika, maar werd, toen men zijn grote talent had ontdekt, vrijgelaten. Hij stierf toen hij werkte aan de dom van Spoleto in Umbrië. Ondanks verzoeken van De’ Medici om hem in de dom van Florence te begraven, bleef zijn graf in Spoleto.

Het Luigi Peccimuseum voor Moderne Kunst (Museo d’Arte Contemporanea) aan de Via della Repubblica, gesticht door de textielfabrikant Enrico Pecci en genoemd naar zijn zoon, werd in 1988 geopend. Het is het eerste echte museum voor hedendaagse kunst in Italië. Het heeft ook een documentatiearchief en een educatieve afdeling, een verzameling grafiek en een amfitheater. De architect was Italo Gamberini, de eerste directeur de Israëliër Amnon Barzel. Men verzamelt er kunst van 1965 af en houdt exposities. Ook zijn er logiesruimten voor kunstenaars die een tijdlang aan een opdracht werken.

In de omgeving van Prato liggen de villa’s van De’ Medici: Poggio a Caiano, La Petraia, Villa di Castello en Pratolino-Demidoff (zie Villa’s en tuinen van de Medici).