Malakka

De eerste sultan van Malakka was afkomstig uit Palembang op Sumatra. Hij was een prins op de vlucht voor de legers van Maja-pahit, die het rijk Sriwijaya aanvielen. Parameswara zocht een veilige plaats op het Maleisisch schiereiland en trachtte zich met zijn volgelingen te vestigen op het eiland Tumasek (nu Singapore). Omdat hij als zeerover hun handelsschepen aanviel, werd hij door de Thais verjaagd. Omstreeks 1400 besloot hij zich uiteindelijk te vestigen in een klein vissersdorp, dat we nu kennen onder de naam Malakka. De plaats was zeer gunstig gesitueerd en ontwikkelde zich spoedig tot een opslaghaven van de eerste orde. Het nieuwe sultanaat werd erkend door het Chinese keizerrijk en met de steun van zo’n machtige bondgenoot durfden concurrenten de stad niet aan te vallen.

Als de winden uit het oosten waaiden, brachten ze de Chinese jonken met hun handelswaren naar Malakka en voerden ze de Indiase handelaren terug naar hun vaderland, hun schepen beladen met Chinese en Zuidoost-Aziatische producten. Als de winden van de westmoesson waaiden gebeurde het omgekeerde. Chinese jonken voeren terug naar China, beladen met lokale producten en uiteraard goederen uit India, terwijl de Indiase zeelieden de tocht in de richting van Malakka ondernamen. Ook toen al was de Straat Malakka een van de drukst bevaren handelsroutes van Zuidoost-Azië. In de tijd dat Malakka tot stand kwam, vond er tevens een snelle uitbreiding plaats van de islam. Ook Parameswara bekeerde zich tot deze religie en nam de naam Iskandar Shah aan. Veel van zijn onderdanen volgden hem. In het begin van de 16e eeuw had Malakka naar schatting 50.000 inwoners.