Marokko

Swipe

Weef- en tapijtkunst

Sinds 1500 voor Christus wordt in Marokko de weefkunst beoefend. In historische documenten werden deze weefsels sinds de middeleeuwen vermeld. De vloerkleden zeggen ook iets over de cultuur waarin ze gemaakt en gebruikt worden. Het tapijt is sterk verbonden met het interieur, waar het een belangrijke rol in speelt.

Er zijn drie soorten tapijten: stedelijke tapijten uit Rabat, Amazigh (Berber) tapijten uit de Midden- en Hoge Atlas en Arabische tapijten uit de streek van Haouz ten oosten van Marrakech.

De stedelijke tapijten van Rabat zijn meestal vrij groot, omdat ze oorspronkelijk afgestemd waren op de Andalusische paleizen. Deze tapijten zijn in de 18e eeuw ontstaan toen de Osmaanse Turken de buurlanden Tunesië en Algerije hadden bezet. Turkse en oosterse tapijten kwamen de havens van Rabat en Salé binnen. Zo werd men geïnspireerd om zelf tapijten te maken. De motieven zijn een mengeling van oosterse florale (bloem) en stervormige of achthoekige motieven en geometrische Amazigh (Berber) figuren. De techniek bestond uit symmetrische knopen en vrij veel inslagdraden waardoor de dichtheid minder groot was. De tapijten uit Rabat zijn kleurrijk en van goede kwaliteit. Natuurlijke verfstoffen voor de wol werden tot het begin van de 20e eeuw gebruikt. De tapijten van vóór 1930 hebben een monumentaal karakter ook door de lengte, die wel acht meter kon bedragen. De tapijten worden kleiner, zo’n drie meter lengte en minder, waardoor ze ook makkelijker verhandeld kunnen worden.

Vele motieven van de tapijten uit Rabat werden overgenomen door weefsters van het platteland. De weefsels die gemaakt worden in de Midden-Atlas kunnen voor allerlei doeleinden gebruikt worden: als draagtas, kussen, vloerkleed, zadeldeken, deurgordijn, kledingstuk of beddengoed. Er zijn twee soorten technieken: vlakweefsels zonder knopen en poolweefsels mét knopen. Het weefproces is een vrouwenaangelegenheid en er moet samengewerkt (tamiza) worden om de wol voor te bereiden en het weefgetouw op te zetten om uiteindelijk te kunnen weven. Gewone weefsters worden tamzdaut genoemd, terwijl de weefsters van motieven tamelqdant heten. Deze laatste groep staat in hoger aanzien, omdat je voor dit soort weven meer vaardigheden moet kennen. De echte uitblinkers worden maâlema (meesteres-weefster) genoemd. Het weefsel ziet men als een azzta, een levend wezen dat geboren wordt, groeit en sterft. Het weefproces gaat vergezeld van trouw nageleefde rituelen, waarvan het lossnijden (sterven) van het weefsel de belangrijkste is, omdat dit baraka (zegen) brengt. In ieder huis worden de mooie weefsels zichtbaar opgestapeld (izzduan), want ze vertegenwoordigen rijkdom.

In het gebied van de Hoge Atlas is Tazenakht een belangrijk textielcentrum. De luchtig met veel inslag geweven tapijten uit deze stad zijn vrij dun en gemaakt van glanzende, zijdeachtige wol. In 1934 bevorderden de Fransen de tapijtproductie door coöperaties te stichten. Door hun aanwezigheid leerden de weefsters wat meer rekening te houden met de Europese smaak, ook wat betreft de afmetingen van het tapijt. Twee Amazigh (Berber) volkeren onderscheiden zich in het maken van de tapijten. Het Zenaga-volk maakt tapijten met een donkerbruine of zwarte pool op een gele achtergrond met hier en daar wat kleur. De motieven worden aangebracht volgens het principe van de gulden snede, wat het aanzien spannender maakt. Terwijl de Aït Ouaouzguite klassieke tapijten maakt die schitterende kleuren hebben en perfect afgewerkt zijn. De laatste groep is afkomstig uit de vlakten rond Marrakech en de streek van Haouz. Vanaf de 16e eeuw verbleven Arabische groepen op het platteland rond Marrakech en zij hadden een eigen weeftraditie. De huidige weefsels zijn het werk van Arabische verwante groepen, voormalige bedoeïenen, en gearabiseerde Amazigh (Berber) groepen. Zij maken vooral geweven tapijten die rood van kleur zijn en waarbij de kelimtechniek (vlakweefsel) gebruikt wordt.

10 prachtige bestemmingen in Marokko