Omaanse invloed

Dhows verlaten lagune Sur

Al in de zesde eeuw na Chr. verlieten Arabische zeilschepen de haven van Sur in huidig Oman. Dit vond plaats gedurende, of net voor de geboorte Islamprofeet Mohammed in Mekka. Deze houten schepen waren beladen met handelswaar en voeren naar de kusten van Somalië en Kenia.

In 932 na Chr. ondernamen Omaanse handelaren de eerste zeereizen naar Sofala (ten zuiden van huidig Beira in Mozambique). In deze befaamde haven werd hen handelen toegestaan - 'dhows' keerden terug naar Sur, beladen met goud en ivoor. Al snel werden de Omanieten in Afrika's oostelijke kustgebied vergezeld door de Perziërs.

Komst van de Portugezen

Handel tussen bewoners van Afrika's kuststrook ('Swahili's), Omanieten en Perziërs leidden tot intensief contact. Vooral Omanieten vestigden zich hier en onderwezen plaatselijke bewoners Islam. Concurrentie kwam hier in de vorm van Vasco da Gama (1498) en andere Portugeze zeemannen/verkenners. Hun komst vormde het begin van geweldadig touwtrekken om invloed en macht - dat tweehonderd jaar duurde.

Moeilijk bereikbaar en muggenrijk Sofala, uitvoerhaven van 'goudmijn' Monomotapa, werd door de Portugezen in 1489 (dus 9 jaar voor Da Gama's aankomst, red.) bezocht. Een nieuwe verkenning vond plaats in 1502, toestemming voor bouw van een Portugese fabriek en vesting volgde in 1505. Twee jaar later veroverden de Portugezen Ilha de Moçambique (permanent). Dit eiland was bereikbaar, strategisch gesitueerd en werd niet geplaagd door muggen. Dit had de sluiting van Sofala's basis als gevolg, activiteiten verhuisden naar 'Ilha'. Portugese verkenningen van het binnenland leidden tot de stichting van Sena en Tete en in dit websitedeel apart behandeld. De eerste stappen in de richting van Portugees kustbestuur (en dus het vertrek van de Omanieten) waren genomen.

Omaanse revanche

Ondanks Portugese aanwezigheid, bleef de Omaanse invloed en aanwezigheid in de Swahilikust (het kustgebied van Kenia, Tanzania en Noord-Mozambique). In 1698 werd (Portugees) 'Forte Jesus de Mombaça' door Omanieten veroverd. Dit bleek een permanente inname - een mijlpaal in de strijd om regionale macht. Geleidelijk herwonnen de Omanieten (samen met de Mazrui, een Omaans-Swahiliclan) handelsmacht over de Indische Oceaan - deze bereikte in de 18e en 19e eeuw haar hoogtepunt. De Portugezen waren genoodzaakt richting het zuiden te trekken in dit gebied te investeren. Het Omaanse rijk strekte zich nu uit van Qatar tot Noord-Mozambique.

Slavenhandel

Hoewel slavenhandel door Arabieren al in de 7e eew na Chr. bestond, nam deze in de 18e eeuw dramatische vormen aan. Zij werden geholpen door Yao-handelaren die netwerken opzetten om Afrikanen te vangen en hen zo snel mogelijk naar het Kilwasultanaat en Ilha de Mocambique te sluizen. Daar werden zij op dhows naar landen aan de Perzische Golf en Turkije gebracht.

Portugese prazohandelaars die langs de Zambezi hun activiteiten ontplooiden, verhandelden Afrikanen uit (inmiddels gesticht) Zumbo, Tete en Manica aan Portugese zakenmensen in Quelimane. Mogelijk werden zij hier, al dan niet via slavencentrum Zanzibar, naar Franse eilanden in de Indische Oceaan getransporteerd. In Mauritius en Réunion werkten Mozambikaanse slaven op suikerrietplantages.

De Portugezen onderhielden contacten met hun landgenoten in Portugees West-Afrika (huidig Angola). Deze relatie leidde tot massale 'vangst' van Mozambikanen. Zij werden naar Portugees West-Afrika gebracht en werden verscheept naar de oostkust van Brazilië (Portugees gebied) en naar Midden-Amerika.

Slaven stierven onderweg aan ziektes en uitputting. Slavenhandel was dermate intensief, dat het binnenland van Portugees Oost-Afrika ontvolkte. In 1869 werd slavenhandel officieel verboden; dit betekende echter niet het einde van deze handel.