Geschiedenis

Het prekoloniale tijdperk

De oudste menselijke sporen vond men in Nicaragua aan Lago Xolotlán: voetafdrukken van zesduizend jaar oud, vermoedelijk van mensen op de vlucht voor een vulkaanuitbarsting. Recentere overblijfselen zijn de petrogliefen op Isla Zapatera en Isla de Ometepe. Wie de makers waren, is onbekend maar men schat dat ze dateren van vóór onze jaartelling. Vanuit Zuid-Amerika kwamen in het eerste millenium de Chibchas. Zij streken neer in het Caribisch gebied. Oostelijk van de twee grote meren leefden de Chontales en in de bergen waren dat de Matagalpas. De Chorotegas uit het zuiden van Mexico vestigden zich rond 900 na Chr. in het Pacifische laagland. Zij lieten de indrukwekkende basalten figuren achter op Zapatera en Ometepe. De aan de Azteken verwante Nahuas verschenen rond 1200 na Chr. en dreven de Chorotegas richting het oosten. Deze Nahuas noemden zich de Nicarao’s, naar hun stamhoofd. En met hen maakten de Spanjaarden kennis toen zij arriveerden.

De koloniale tijd

Christoffel Columbus landde in 1502 tijdens zijn vierde en laatste reis op de oostkust. Hij was op zoek naar een zeestraat op weg naar Indië. De Río San Juan miste hij tijdens zijn tocht. In 1522 trok de Spanjaard Gil González Dávila vanuit Panamá het land binnen. Aan Lago Cocibolca ontmoette hij het stamhoofd Nicarao. Van deze naam werd ‘Nicaragua’ afgeleid. De kennismaking verliep vreedzaam en Nicarao en zijn negenduizendkoppig volk bekeerden zich tot het rooms-katholieke geloof. Toen Dávila en zijn mannen oostwaarts trokken, stuitten ze op de Chorotegas. Hun stamhoofd, Diriangen, was minder vredelievend en de Spanjaarden moesten de aftocht blazen.

In 1524 stuurde de gouverneur van Panamá, Pedro Arias Dávila (Pedrarias), Francisco Hernández de Córdoba naar Nicaragua. De laatste stichtte er de steden León en Granada. Tussen de twee mannen ontstond rivaliteit en Pedrarias beschuldigde Córdoba van ontrouw aan de Spaanse Kroon. Hij liet hem onthoofden en werd gouverneur van het land. Pedrarias voerde een bloedig bewind. Uiteindelijk liet Spanje Nicaragua links liggen omdat het meer zag in de rijkdommen van Mexico en Peru. Men liet na 28 jaar een gedecimeerde inheemse bevolking achter. Slechts acht procent van het oorspronkelijke aantal Chorotegas, Nahuas, Maribios en Chontales bleef over.

Onafhankelijkheid en onrust

Vanaf 1544 viel Nicaragua onder Guatemalteeks bestuur. Guatemala was toen een Spaanse provincie die een groot deel van Mid-den-Amerika bestreek. In de negentiende eeuw stak in Latijns-Amerika het verzet tegen de Spaanse Kroon de kop op. Voor de Gua-temalteekse provincie resulteerde dat in onafhankelijkheid op 15 september 1821. Men sloot zich aan bij Mexico maar vormde al in 1823 een afzonderlijke federatie van Midden-Amerikaanse staten. Nicaragua stapte hier in 1838 uit en is sinds dat moment een onafhankelijke republiek. De rust keerde echter niet direct weer. Granada, van oudsher een rijke en conservatieve stad, streed met het progressieve León om de hegemonie. Daarnaast werd Granada vanaf de Caribische kust regelmatig belaagd. De achilleshiel was haar ligging aan Lago Cocibolca. Rijkdom deed piraten de tocht wagen over de Río San Juan die uitkomt op dit meer. Ook de Engelsen zagen hier een kans. De Caribische kust was toen al een zorgenkindje onder de Spanjaarden. Regelmatig waren oostelijke havenplaatsen in Engelse handen.

In het midden van de negentiende eeuw won de route Río San Juan nog meer aan populariteit. De in 1848 uitgebroken goudkoorts zorgde voor een grote toeloop van reizigers. Noord-Amerikanen en Europeanen trokken van oost naar west, richting Californië. In de VS was deze tocht over land te gevaarlijk. En Nicaragua had maar een kleine reep land tussen Lago Cocibolca en de Pacifische Oceaan. Het werd de doorsteek bij uitstek. Mensen reisden per stoomschip vanaf New York tot San Juan del Norte, aan de Atlantische monding van de San Juan-rivier. In kleinere boten vervolgde men de tocht over de rivier naar Lago Cocibolca. Aan de zuidoever van het meer werden de reizigers opgevangen en per koets naar de Pacifische kust vervoerd. Van daar voer weer een boot naar San Francisco. Het patent van deze route was in handen van de Amerikaanse transportmagnaat Cornelius Vanderbilt. Het lag voor de hand dat deze geografische bijzonderheid het idee voor een kanaal zou oproepen. De Spanjaarden hadden er al ideeën over. In de negentiende eeuw begon de overheid de mogelijkheden voor het 272 km lange kanaal serieus te onderzoeken. Zij probeerde de VS zover te krijgen te investeren. Politieke instabiliteit deed deze poging mislukken. Toen de Amerikanen aan het einde van de eeuw wel interesse hadden, waren de Fransen al begonnen aan een Panamakanaal. Dit liep echter uit op een fiasco. Hierdoor konden de Amerikanen het project voordelig overnemen. Daarnaast wees de Panamese lobby op het gevaar van vulkanische uitbarstingen in Nicaragua. Uiteindelijk stemde de VS-senaat in 1902 voor het Panamakanaal.

William Walker

Een reden van politieke instabiliteit in de negentiende eeuw was de komst van William Walker. León vroeg deze Noord-Amerikaanse avonturier om hulp in haar strijd tegen Granada. Deze strijd was inmiddels uitgelopen op een regelrechte burgeroorlog. Walker, advocaat en journalist, begon zijn vrijbuitersloopbaan in 1853. Met 45 man viel hij Baja California in Mexico binnen en riep zichzelf uit tot president van deze provincie. Het Mexicaanse leger stuurde hem uiteindelijk terug naar de VS. In 1855 trok hij met een 55-koppig troep naar Nicaragua, veroverde Granada en pleegde een staatsgreep. De VS erkenden zijn bewind. Een jaar later wierp Walker zichzelf op als president en verving zijn stroman Rivas. Hij voerde de slavernij in, iets wat vooral de zuidelijke staten van Noord-Amerika toejuichten. Hij had ook plannen om de rest van Midden-Amerika te veroveren. Toen hij problemen kreeg over de oost-westtransportroute met zijn landgenoot Vanderbilt, keerde het tij. Vanderbilt overtuigde de VS dat Walker’s regime niet de belangen van zijn land diende, en bond de strijd aan. Met buitenlandse hulp werd Walker bij San Jacinto verslagen en deze nam de wijk, Granada in vlammen achterlatend. De VS-marine voerde Walker af naar zijn vaderland. Dat weerhield hem er niet van nog een poging te wagen in Nicaragua. Hij probeerde het land binnen te vallen bij Greytown, het huidige San Juan del Norte. De inval mislukte en opnieuw zond de marine hem terug naar de VS. In 1860 arresteerde de Britse marine hem bij Trujillo, een oostelijke havenplaats in Honduras. De Britten hadden een deel van de Midden-Amerikaanse oostkust in handen. Zij hadden geen belang bij de wensen van Walker en leverden hem uit aan de Hondurese autoriteiten. Hij werd geëxecuteerd en begraven in Trujillo. De tekst op zijn grafsteen luidt: “William Walker, gefusilleerd, 12 september 1860”.

Generaal Zelaya

De strijd tussen Granada en León kwam min of meer tot een eind toen in 1857 het dorpje Managua als hoofdstad werd aangewezen. De misstap van de liberalen om met Walker in zee te gaan, kostte hen de macht. Toen men de overwinning op Walker behaalde, ging die macht voor decennia naar de conservatieven. In deze relatief rustige jaren groeide de ontevredenheid onder de liberalen. De economie stagneerde en men wenste meer ondernemingsvrijheid. In 1893 schoven zij de liberale generaal José Santos Zelaya naar voren die een staatsgreep pleegde. Deze nationalist voerde een dictatoriaal bewind. De economie bloeide op maar zijn tegenstanders waren niet veilig. In 1894 voegde hij het Nicaraguaanse deel van de Mosquitia weer toe aan ’s?lands grondgebied. Hij kreeg hierbij hulp van de VS die dit Britse protectoraat liever in Nicaraguaanse handen zag. Dat de hulp met de kanaalkwestie te maken had, bleek toen Zelaya hierover een deal wilde sluiten met Japan en Duitsland. Hiermee joeg hij de VS tegen zich in het harnas. De deal ging niet door maar de Amerikanen wilden van hem af. Ook omdat hij hun inmenging niet wenste. Inmiddels hadden zij al gekozen voor een interoceanisch kanaal in Panama. Het was een begin van Noord-Amerikaanse bemoeienis die tot op heden duurt. Ze begonnen de conservatieve tegenstanders van Zelaya’s bewind te ondersteunen. Er braken opstanden uit die hij met harde hand onderdrukte. Toen hij in 1909 een groep rebellen liet executeren, waaronder twee Amerikaanse huurlingen, greep de VS zichtbaarder in. Zij vielen bij Bluefields het land binnen om orde op zaken te stellen. Een paar weken later trad Zelaya af en vluchtte hij naar Mexico.

Vrijheidsstrijd

Na de vlucht van Zelaya bleef de VS controle uitoefenen in Nicaragua. Ze steunden de nieuw gekozen, liberale president niet, maar wel couppleger en conservatief Adolfo Díaz. Toen in 1912 een liberale opstand uitbrak zond Washington drieduizend mariniers. Een van de leidende generaals, Benjamín Zeledón, hield fier stand op Coyotepe bij Masaya. De generaal, minister onder de afgetreden president, was een fel tegenstander van de Amerikaanse inmenging. De vreemde troepen bleken uiteindelijk toch te sterk en Zeledón raakte dodelijk gewond. Hij werd een martelaar en held. Twee jaar later tekende president Díaz de Bryan-Chamorro-overeenkomst. Deze gaf de VS het alleenrecht op het graven van een interoceanisch kanaal, dat inmiddels al in Panama was gerealiseerd. Hiermee wilden ze concurrentie uitsluiten. Tot in 1925 hielden Amerikaanse mariniers een oogje in het zeil. Nadat ze zich terugtrokken, brak er weer een revolte uit. De conservatieven pleegden na verloren verkiezingen een coup. Dit keer was Augusto César Sandino onder de liberale generaals. De VS dwong beide partijen tot een overeenkomst te komen in het Espino Negro pact. Men zou de wapens neerleggen en ex-president Adolfo Díaz opnieuw als president aanstellen. Alleen generaal Sandino ging niet akkoord. Hij weigerde de Amerikaanse aanwezigheid te accepteren en bond de strijd aan met de vreemde troepen. De guerrillaoorlog onder zijn leiding duurde zeven jaar. In die tijd won hij veel sympathie, van zijn landgenoten maar ook in het buitenland. Hij kwam op voor de armen en zijn leger groeide aan tot 1700 man. Uiteindelijk gaf Washington de strijd op.

De Somozadynastie

Decennialang zwaaide de familie Somoza de scepter over Nicaragua. Een vader en zijn twee zoons hielden het land ruim veertig jaar in hun greep.

Anastasio Somoza García werd op 1 februari 1896 geboren in San Marcos als zoon van een welgestelde koffieplanter. Hij studeerde in de VS en trouwde een vrouw uit aristocratische kringen. Met een studie en militaire training in de VS achter de rug, had hij voldoende kennis van de Noord-Amerikaanse cultuur en taal om goed met haar inwoners overweg te kunnen. Ambitieus en zakelijk als hij was, legde hij invloedrijke contacten die hem snel op weg hielpen op de politieke en militaire ladder. Hij was nauw betrokken bij de vorming van de Nationale Garde. In 1933 wees president Sacasa hem aan als hoofd van deze militaire instelling.

Machtsovername

De VS trokken zich niet eerder uit Nicaragua terug voordat zij een geoliede nationale garde (NGN) op poten hadden gezet om de strijd tegen Sandino en zijn rebellenleger voort te zetten. Toen de liberale president Sacasa in 1933 was geïnstalleerd, trokken de mariniers huiswaarts. Zoals overeengekomen, begon generaal Sandino na het vertrek van de VS aan onderhandelingsgesprekken met Sacasa, maar ze werden het niet eens over de Nationale Garde. Die moest volgens Sandino ontbonden worden vanwege de nauwe relatie met de Verenigde Staten. Nog geen jaar later werd Sandino na een diner met de president op bevel van Somoza gearresteerd en geëxecuteerd. Onmiddellijk volgde een klopjacht op zijn aanhangers. Binnen korte tijd was het guerrillaleger verslagen. Ondanks Sacasa’s veroordeling van deze actie, groeide de macht van de gardeleider. In 1936 was de positie van de president onhoudbaar geworden. Hij had geen andere keus en trad af. Somoza richtte een eigen partij op: de Nationalistische Liberale Partij (PLN). Tegelijkertijd stelde hij zich kandidaat voor het presidentschap. Wettelijk gezien was de kandidaatstelling echter niet te verenigen met zijn functie als hoofd van de Nationale Garde. Hij trad af maar pakte deze functie weer op nadat hij tot president verkozen werd. Hiermee was de dictatuur een feit en begonnen de jaren van het ijzeren regime.

Manipulatie

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog keerden verschillende maatschappelijke groeperingen én de VS zich tegen Anastasio Somoza en zijn plannen voor herverkiezing. Hij zorgde voor een vervanger en deze won de presidentiële verkiezingen in 1944 met zijn frauduleuze hulp. Deze plaatsvervanger bleek echter geenszins van plan zich te laten gebruiken als spreekbuis. Snel liet Somoza hem van het toneel verdwijnen. Een betrouwbaarder invaller nam zijn plaats in, maar deze werd niet erkend door de VS. Somoza liet een aantal wijzigingen aanbrengen in de grondwet om zijn actie te legitimeren. Daarin liet hij en passant wat anticommunistisch getinte tekst opnemen om de VS te behagen.

Zijn autocratisch bewind bezorgde hem uiteindelijk veel vijanden. In 1956 werd hij tijdens een feest in de Club Social in León neergeschoten door dichter en marxist Rigoberto López Pérez. Deze had zich uitgegeven voor ober. Hij werd direct na zijn daad door Somoza’s lijfwacht doodgeschoten. Somoza overleed enkele dagen later aan zijn verwondingen.

Troonopvolging

Volgens de grondwet was zijn oudste zoon Luís Somoza Debayle opvolger tot de nieuwe verkiezingen die in 1957 plaatsvonden. Luís studeerde net als zijn vader in de Verenigde Staten en was politiek zeer bedreven. Hierin bleek hij de tegenpool van zijn jongere broer Anastasio Somoza Debayle die, met zijn militaire achtergrond, een stuk minder omzichtig te werk ging. Anastasio nam na de moord op zijn vader het bevel van de Nationale Garde over. Hij begon een nietsontziende wraakcampagne waarbij hij vele politieke tegenstanders gevangen liet nemen en martelen. Daarnaast beperkte hij burgerlijke vrijheden en stelde censuur in. Luís Somoza won de presidentsverkiezingen in 1957 en liet de teugels enigszins vieren. Zijn anticommunistische houding stemde de VS gunstig. Ook gaf hij toestemming om Nicaragua’s oostkust als uitvalsbasis voor de mislukte Varkensbaai-invasie in Cuba te gebruiken. In 1963 zorgde hij voor de presidentsverkiezing van stroman René Schick Gutiérrez als tijdelijke plaatsvervanger. Van zijn eigen herverkiezing was hierna geen sprake meer want hij overleed voortijdig aan een hartaanval. De tijd voor zijn jongere broer Anastasio was aangebroken.

Drama

De jongste telg uit de Somozaclan werd in 1967 tot president verkozen. Hij was vanaf toen staatshoofd én bevelhebber van de Nationale Garde, de beruchte dictatoriale combinatie. Dit was het begin van een sterk repressief bewind dat veel nationale en internationale kritiek te verduren kreeg. Het feit dat hijzelf zijn ambtstermijn met een jaar verlengde, droeg niet bij aan zijn toch al tanende populariteit. Uiteindelijk sloot hij een verdrag met zijn politieke oppositie. Ze kwamen overeen dat de macht in 1972 voor twee jaar overgedragen zou worden aan een driekoppig comité. Later werd duidelijk dat Somoza achter de schermen nog steeds de touwtjes in handen had.

In december 1972 voltrok zich een drama in Managua. Een aardbeving trof de stad en verwoestte een groot deel van het centrum, maakte duizenden mensen dakloos en ontnam nog eens duizenden het leven. Vele landen stuurden financiële hulp maar miljoenen dollars verdwenen in de zakken van Somoza en de zijnen. De dictator had namelijk vanwege de afgekondigde noodtoestand, als hoofd van de Nationale Garde, de macht weer in handen. In binnen- en buitenland was de publieke verontwaardiging groot maar in 1974 werd hij opnieuw tot president ‘gekozen’.

Verzet

Inmiddels was gewapend verzet tot stand gekomen in de vorm van de sandinistenbeweging. Deze marxistisch georiënteerde groepering ontleende haar naam aan nationale held Sandino. Op 27 december 1974 gijzelden sandinisten een aantal Somozakopstukken op een feest. Ze bewerkstelligden daarmee dat Somoza veertien van hun leden vrijliet, waarmee ze, tezamen met een miljoen dollar aan losgeld, naar Cuba vluchtten. Daarop volgde een repressieve campagne. Mensen die verdacht werden van samenwerking met de sandinisten, werden gemarteld, verkracht en vermoord. Onder andere mensenrechtenorganisaties en de kerk brachten de situatie onder de publieke aandacht. VS-president Carter stelde als voorwaarde voor verdere steun dat mensenrechten beschermd moesten worden. Op 10 januari 1978 werd Pedro Joaquín Chamorro, eigenaar van dagblad La Prensa en criticus van het Somozabewind, op straat geëxecuteerd. Een staking brak uit en binnen korte tijd lag een groot deel van ’s?lands economie plat. Ze werd na twee weken hardhandig door Somoza onderdrukt maar de toon was gezet voor een intensief gewapend verzet. En steeds meer kregen de rebellen sympathie van bevolking en buitenland. Uiteindelijk duurde het nog tot 17 juli 1979 voordat er een eind kwam aan de bloedige burgeroorlog. Anastasio Somoza trad af en ontvluchtte het land. Een jaar later werd hij in Paraguay, waar hij inmiddels woonde, vermoord.

De revolutie

De sandinisten, verenigd in het FSLN, trokken op 19 juli 1979 als overwinnaars Managua binnen. Somoza was gevlucht en liet een land in ontreddering achter. Er waren 50.000 mensen omgekomen in de burgeroorlog. De gezondheidszorg was slecht en er heerste grote armoede. Er werd een voorlopige junta gevormd. Onder andere FSLN-kopstuk Daniel Ortega en de weduwe van de vermoorde La Prensa-eigenaar Chamorro maakten hiervan deel uit. Nog geen jaar later stappen twee van de vijf leden op, waaronder weduwe Violeta Barrios de Chamorro. Deze gematigde leden weigeren de dominantie van het FSLN, oftewel van Daniel Ortega, te accepteren. Het FSLN start intussen een grootscheepse alfabetiseringscampagne. Duizenden vrijwilligers trekken naar het platteland om ongeletterden te leren lezen. Scholen passen hun lesprogramma aan om docenten en leerlingen de kans te geven op pad te gaan. De campagne is een groot succes. In negen maanden daalt het analfabetisme van ruim vijftig naar vijftien procent. Daarnaast worden gezondheidszorg en onderwijs gratis. Ook nationaliseert de nieuwe regering Somoza’s bezittingen en voert ze landhervormingen door. De euforie duurt niet lang. Het zint de VS niet dat de sandinisten nauw samenwerken met Cuba en de Sovjet-Unie. Bovendien ondersteunen ze de rebellen in El Salvador. Zodra Ronald Reagan het Witte Huis bewoont, schort hij alle hulp aan Nicaragua op. Hij begint de Contra’s te bewapenen, een groep rebellerende tegenstanders van de sandinisten. De Contra’s, waaronder ex-gardisten van Somoza, worden door de VS georganiseerd en in buitenlandse kampen getraind. Een bloedige burgeroorlog is het gevolg.

De Contra-oorlog

Als de VS in 1984 agressief optreden in Nicaraguaanse havens, stappen de sandinisten naar het Internationaal Gerechtshof. Het hof veroordeelt de VS tot het betalen van een schadevergoeding omdat zij de Nicaraguaanse soevereiniteit geschonden hadden. Ze accepteren de uitspraak niet en voeren aan dat de Sovjet-Unie hetzelfde deed toen Somoza aan de macht was. Zelfs een VN-resolutie dwingt hen niet tot betalen. In dat jaar worden presidentsverkiezingen uitgeschreven en de bevolking kiest massaal voor FSLN-kandidaat Daniel Ortega. Hij krijgt 67% van de stemmen. Volgens internationale waarnemers verlopen de verkiezingen eerlijk maar tegenstanders van de sandinisten, inclusief Washington, betwijfelen dit. In 1985 stelt Reagan een economische boycot in. Dit embargo en fouten in het overheidsbeleid doen de levensomstandigheden van de Nicaraguanen drastisch kelderen. Ook de oorlog trekt een zware wissel op hun incasseringsvermogen. In het Amerikaanse congres ontstaat weerstand tegen de inmenging en Reagan moet zijn hulp aan de Contra’s stopzetten. In het geheim laat hij luitenant-kolonel Oliver North fondsen werven in het buitenland. Als aan het licht komt dat geld uit illegale wapenverkoop aan Iran wordt doorgesluisd naar de Contra’s, is het Iran-Contraschandaal een feit. De VS steunden onofficieel Irak in de oorlog tegen Iran. Iran gijzelde zes Amerikanen en Washington probeerde ze met de wapenverkoop vrij te krijgen. Er rollen koppen maar Reagan blijft aan. In de jaren negentig verschijnen er ook rapporten waaruit blijkt dat de VS betrokken waren bij drugshandel om de steun aan de Contra’s te bekostigen. De zaak gaat in de doofpot.

Het einde van een tijdperk

De vijf Midden-Amerikaanse presidenten doen in 1987 een poging de problemen in de regio op te lossen. Onder leiding van de Costa Ricaanse president Oscar Arias tekenen ze een overeenkomst die democratie moet bevorderen. De sandinisten gaan onderhandelen met de Contra’s. De VS, hierdoor buitenspel gezet, ondersteunen het initiatief niet. Uiteindelijk komt het tot een wapenstilstand en worden er voorbereidingen getroffen voor vrije verkiezingen in 1990. De oppositie van het FSLN bundelt haar krachten in de UNO (Union Nacional Oppositora). Washington steunt de presidentskandidaat van dit samenwerkingsverband, Violeta Barrios de Chamorro. Door opiniepeilingen lijkt FSLN-kandidaat Ortega verzekerd van een hernieuwde ambtstermijn. Het loopt anders. De bevolking is de ellende beu en Chamorro belooft het einde van de Contraoorlog, het embargo en de tekorten. Ze wint overtuigend en is daarmee de eerste vrouwelijke, democratisch gekozen president van het Amerikaanse continent. De sandinisten haasten zich een figuurlijke greep in de staatskas te doen voordat ze het veld ruimen. Ze eigenen zich onrechtmatig land, huizen en auto’s toe. In de volksmond wordt deze actie de ‘piñata’ genoemd. Op kinderverjaardagen is dit een pop van papier-maché gevuld met snoep. De jarige slaat de pop kapot en vervolgens storten de kinderen zich op de inhoud. Menig FSLN-aanhanger wendt zich na dit vergrijp af van de partij.

Chamorro wacht een zware taak in een verwoest land. Ze vaart de koers van het midden en probeert diplomatisch alle partijen tegemoet te komen. Daarin slaagt ze wonderwel, al zag Washington de sandinisten liever in de ban. De Contra’s leveren hun wapens in en de regering komt ze tegemoet met stukken land. De economie trekt langzaam aan maar daarvoor moet Doña Violeta onpopulaire maatregelen nemen. Veel van de sandinistische verworvenheden, zoals gratis onderwijs, worden uiteindelijk teruggedraaid. In 1996 verliest Ortega als presidentskandidaat voor het FSLN weer de verkiezingen. Dit keer moet hij het afleggen tegen ex-burgemeester van Managua, Arnoldo Alemán. De nieuwe president is leider van de centrumrechtse en liberale PLC. Deze partij blijft aan de macht tot 2006.

Nicaragua’s wonderkind

Nicaragua’s grote dichter Rubén Darío is op 18 januari 1867 geboren in Metapa. Darío’s eigenlijke naam luidt Felix Rubén García Sarmi-ento, maar hij neemt later de oude familienaam Darío aan. Net zoals zijn geboorteplaats. Metapa heet tegenwoordig Ciudad Darío. De ouders van Darío scheiden als hij nog jong is en zijn peetoom, kolonel Felix Ramírez, adopteert hem. Hij woont dan in León. De intelligente Rubén leest al op driejarige leeftijd. Als hij twaalf is, publiceert El Niño Poeta zijn eerste gedichten. In 1882 meldt hij zich aan voor een beurs in Europa. Hiervoor leest hij zijn ‘El Libro’ voor aan de conservatieve Nicaraguaanse autoriteiten, inclusief de president. Ze weigeren hem. Zijn gedicht zou te progressief zijn en Europa had wellicht geen goede invloed op hem. Later vertrekt hij naar El Salvador en ontmoet daar de poëet Francisco Gavidia. Deze introduceert hem in de ritmische structuur van de Franse poëzie. Dit wordt later de hoeksteen van zijn revolutionaire gedichten. Als hij negentien is, gaat hij naar Chili, waar men hem discrimineert. Hij blijft en rolt in de journalistiek. In 1890, op 24-jarige leeftijd, trouwt hij met Rafaela Contreras in El Salvador. Na een militaire coup vluchten ze naar Guatemala. Een jaar later krijgen ze in Costa Rica een zoon, Rubén Darío Contreras. Zijn vrouw sterft in 1893 en hij zoekt zijn heil in alcohol. De broer van een oude geliefde, Rosario Murillo ruikt kansen en laat Darío in de val lopen. Hij organiseert een ontmoeting tussen zijn zus en de dichter. Als hij Darío vervolgens beschonken bij zijn zus in bed aantreft, dwingt hij hem onder bedreiging van een vuurwapen met zijn zus trouwen. Darío moet haar reputatie redden. Hij houdt woord en ontwaakt de volgende morgen met een kater en een nieuwe vrouw. Hij scheidt nooit van haar maar leeft uiteindelijk met zijn maîtresse Francisca Sanchez. Hij blijft een relatie onderhouden met zijn vrouw en had er dus uiteindelijk twee. Alcohol en vrouwen blijven een grote rol spelen in zijn leven en hij staat bekend om zijn ongewone levenswandel. Hij heeft een flink aantal kinderen die hij zelf niet altijd kent.

In 1893 is hij ambassadeur in Colombia en reist daarna naar Panama en Argentinië. Op zijn 31e werkt hij voor La Nacion, een Argentijnse krant. Darío rapporteert zijn indruk over de Spanjaarden in de oorlog tegen de VS. In 1903 wordt hij benoemd tot ambassadeur voor Nicaragua in Parijs. Hij publiceert zijn autobiografie in 1912 en in 1914 ontvangt hij in New York een zilveren medaille van de Hispanic Society of America. Later in dat jaar krijgt hij longontsteking en als hij beter is, is hij ook bankroet. Vrienden zamelen geld voor hem in. De bevriende dichter en Colombiaan Juan Arana bedelt zelfs in de straten van New York. Ook klopt hij aan bij vrienden in Buenos Aires en de Nicaraguaanse regering. Een jaar later vertrekt Darío naar Nicaragua en sterft in 1916 op 49-jarige leeftijd.

Rubén Darío startte een literaire revolutie omdat hij complexe Spaanse verzen omzette tot een directe, simpele structuur. Erkenning kreeg hij vooral door zijn verzamelde werk ‘Azul’, dat in 1888 werd uitgegeven. Hij was de voorman van een nieuw Latijns-Amerikaans modernisme.