Schilderkunst in Noorwegen

J.C. Dahl (1788-1857) wordt beschouwd als de eerste professionele Noorse schilder. Hij was de eerste Noor met een kunstacademische opleiding. Dahl werkte als docent aan de kunstacademie van Dresden. Hij legde zich als vertegenwoordiger van de romantiek toe op landschappen. Dahl liet zich inspireren door 17e-eeuwse landschapsschilders uit Nederland, zoals Jacob van Ruisdael en Allart van Everdingen. De laatste was de eerste Nederlandse kunstenaar die Scandinavische landschappen schilderde. Dahls werk stimuleerde het erfgoedbesef in Noorwegen. Na enige tijd gaven jonge Noorse studenten de voorkeur aan de kunstacademie in Düsseldorf boven Dresden, waar ze het schilderonderwijs moderner vonden.

In Düsseldorf werd een nieuwe Noorse generatie schilders gevormd, waaronder Adolph Tidemand (1814-1876) en Hans Gude (1825-1903), die zich toelegden op het schilderen van het volksleven en landschappen. Door de Düsseldorfer Schule bloeide de beeldende kunst in Noorwegen op.

De dramatische landschappen, de oude gebruiken en de eigen historische objecten waren bij uitstek onderwerpen die de schilders aanspraken in een periode waarin het Noorse nationale bewustzijn ontwaakte. Gerhard Munthe (1849-1929) was hierin zeer uitgesproken. Net als Frits Thaulow (1847-1906) schilderde hij graag in de traditie van de Franse plain airschilders. Ze zetten zich af tegen de in hun ogen geforceerde en overgeïdealiseerde schilderstijl van de Düsseldorfers.

Schilders als Oluf Wold-Torne (1867-1919) en Thorvald Erichsen (1868-1939) meenden dat de Noorse tradities en geschiedenis terug moesten komen in een eigen nationale kunststroming. In Parijs maakten Noorse schilders kennis met nieuwe kunstopvattingen, zoals impressionisme en naturalisme. Schilders als Christian Krohg (1852-1925), Hans Heyerdahl (1857-1913) en Erik Werenskiold (1855-1938) namen elementen van deze stijlen over.

Nieuwigheden in de Noorse schilderkunst na 1900

Rond 1900 heerste er onrust in het Noorse kunstwereldje. Er ontstonden tal van nieuwe stromingen, zoals expressionisme, kubisme, pointillisme en surrealisme. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleven veel Noorse kunstenaars in Kopenhagen in plaats van Parijs. Kopenhagen was een broedplaats voor nieuwe ideeën, die soms leidden tot eigen Scandinavische compositieopvattingen.

De Noorse schilders ontwikkelden zich steeds abstracter, net als in de rest van de wereld. De Noorse schilderkunst van na de Eerste Wereldoorlog tot in de jaren zestig heeft nauwe banden met de Franse schilderkunst. Noorse schilders trokken naar Frankrijk om lessen te nemen bij onder meer Henri Matisse en Fernand Legér.

Edvard Munch (1863-1944) is de bekendste Noorse schilder. Hij vertegenwoordigt het Noors expressionisme. Zijn werken zijn intro-vert en kenmerken zich, vooral zijn latere schilderijen, door vertwijfeling en de uitdrukking van angst. De onrustige Munch schilderde menselijke emoties en wanhoop, de dood en de onmogelijke liefde waren obsessies voor hem. De herhaalde diefstallen van een versie van zijn beroemdste schilderij ‘De Schreeuw’ kreeg internationaal veel publiciteit.

Na de Tweede Wereldoorlog voelden veel Noorse schilders zich goed thuis in de internationale golfstroom van non-figuratieve en meer abstracte kunst. De Franse schilderkunst verloor aan invloed en de Noorse schilders raakten meer onder invloed van de beeldende kunst uit de Angelsaksische landen en de VS, zoals popart.

Vanaf de jaren tachtig nam het gebruik van nieuwe technieken toe en wwam er een enorme variëteit in schildervormen, ondersteund door multimediatechnieken. Tot de bekendste 20e-eeuwse Noorse schilders behoren onder andere Nikolai Astrup, Jakob Weidemann en Arne Ekeland.