2000-2012: Op zoek naar een nieuw Servië

Vojislav Kostunica werd zo op het eerste gezicht gezien als een bevrijder. Media in het Westen vergeleken hem met de Tsjechische dissident Václav Havel en de Poolse oppositieleider Lech Walensa. Al snel bleek dat Kostunica dan weliswaar een groot tegenstander was van Miloševic, maar geen pro-Westerse koers voorstond. Samenwerking met het in 1993 opgerichte Joegoslavië-Tribunaal wees hij resoluut van de hand. Ook weigerde Kostunica enige toenadering tot Kosovaarse Albanezen en wilde hij niet denken aan excuses voor Servische wandaden in Srebrenica.

Intern veranderde de politiek in Servië drastisch. Onder Miloševic was het land officieel een democratie geworden, maar danste de politiek nog steeds naar de pijpen van de president en zijn vrouw.

Officieel was Kostunica de laatste president van Joegoslavië, omdat in 2003 besloten werd om de naam van het land voorgoed af te schaffen. De federatie heette voortaan Servië en Montenegro – naar de enig overgebleven deelrepublieken die nog samen waren. De beide deelrepublieken kregen een eigen parlement en president, dat functioneerde onder die van de federatie.

De politieke transitie van Servië na de val van Miloševic verliep moeizaam. Het land zat financieel aan de grond en het onderlinge wantrouwen tussen en binnen in de partijen was groot. Na talloze afsplitsingen in de ooit zo collectief opererende Democratische oppositie, zag het politieke landschap van Servië er uit als een grote verwarrende kluwen van belangenbehartigers.

Een groot probleem in het naoorlogse Servië was de georganiseerde misdaad. Tijdens de oorlog hadden warlords zich op allerlei manieren verrijkt.

De grote namen in het bedrijfsleven waren nauw verbonden met de onderwereld. De vermenging van interne politiek, georganiseerde misdaad en onverwerkte oorlogspropaganda kwam tot een dramatisch dieptepunt in 2003, toen de Servische premier Zoran Ðindic op klaarlichte dag werd vermoord.

Als vooruitstrevend politiek figuur was Ðindic al langer mikpunt van haat en spot. Als afgestudeerd filosoof uit Frankfurt richtte hij zijn blik op Europa en het Westen, iets wat hem niet in dank werd afgenomen door de mensen die bleven zwelgen in de emoties van de jaren negentig. De dood van Ðindic veroorzaakte een schok in Servië en daarbuiten. De Zemun-Clan, een schimmige groep maffiosi, gelieerd aan oorlogsveteranen, bleek verantwoordelijk voor de moord. Hoewel Ðindic als pro-westers politicus inderdaad niet populair was bij de ultranationalisten, is het niet zeker of dat een doorslaggevend motief voor moord is geweest voor de daders. Wel werd duidelijk dat Servië nog lang niet schoon was gewassen van de oorlogstijd – integendeel, het proces van verwerking was net begonnen.

Montenegro, dat nooit actief aan de oorlog had meegedaan, gaf te kennen ook onafhankelijk te willen worden van Servië. De afscheiding van de laatste twee republieken werd besloten met een referendum in 2006 – een stuk vreedzamer dan hoe het in de jaren negentig was gegaan. De Montenegrijnen kozen voor onafhankelijkheid en in 2006 werd de federale republiek Servië en Montenegro gesplitst, zoals in 1994 Tsjechië en Slowakije uit elkaar waren gegaan: in overeenstemming en zonder wapengekletter.

Een belangrijke figuur in de transitie van Servië bleek Boris Tadic, de leider van de Democratische partij (DS) en president vanaf 2004. In tegenstelling tot Kostunica, die in de loop der jaren steeds nationalistischer was geworden, stelde Tadic zich constructief op. In 2007 sprak hij zijn excuses uit op Kroatische televisie over misdaden die het Servische leger tijdens de oorlog had begaan. Verder sprak hij zich uit voor de handhaving van het Dayton-akkoord in Bosnië. In tegenstelling tot de nationalistische Serviërs, weigerde hij te ijveren voor een integratie van Bosnisch-Servië en Servië zelf. Ondertussen zette hij ook het EU-lidmaatschap hoog op de Servische agenda.

De grootste drempel voor de EU toetreding was nog steeds de gebrekkige samenwerking tussen de Servische regering en het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag. Verschillende malen blokkeerde de Nederlandse regering enige handreikingen van de EU aan Belgrado, met het argument dat Radovan Karadžic en Ratko Mladic, de verantwoordelijken voor de massamoord in Srebrenica, nog vrij rondliepen. Deze redenen hebben mogelijk meegespeeld bij de plotselinge arrestatie van Radovan Karadžic – die al jarenlang schuil ging onder een nieuwe identiteit van new-age dokter – in de zomer van 2008. Servische politie vatte de bebaarde geneesheer Dragan Dabic (schuilnaam van Karadžic) in de kraag in een Belgradose tram. Spoedig erna werd hij naar Scheveningen gebracht om te worden berecht in het Tribunaal.

In hetzelfde jaar riep de voormalige Servische provincie Kosovo eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Zeer tegen het zere been van de Belgradose regering, werd deze uitroep serieus genomen door een groot aantal Westerse landen. (Slechts vijf EU-lidstaten (Slowakije, Spanje, Roemenië, Cyprus en Griekenland) weigerden het kleine Balkanstaatje te erkennen.) Ook Rusland en China spraken zich uit tegen de onafhankelijkheid. Het uiteindelijke verlies van Kosovo maakte veel emoties los bij de Serviërs, die de straat op gingen. De ambassades van onder andere Turkije, de Verenigde Staten en Kroatië werden bestormd. Ook buitenlandse journalisten, zoals een fotograaf van het NRC Handelsblad, werden aangevallen en in elkaar geslagen.

Al vanaf de speech van Miloševic en gedurende de hele jaren negentig dreigden de Serviërs met oorlog, wanneer Kosovo onafhankelijk zou worden. Toen het uiteindelijk in 2008 zover was, bleek Servië oorlogsmoe. Hoewel de regering weigert het land te erkennen, is er weinig animo voor verdere escalatie van enig conflict. In de moderne en vooruitstrevende hoofdstad Belgrado hebben mensen feitelijk Kosovo nog nooit van dichtbij gezien. Serviërs hebben tegenwoordig meer aan hun hoofd dan Kosovo en de erfenis van de Slag op het Merelveld, of andere historische mythes.

Veel jongeren kijken liever vooruit: toetreding tot de EU, reizen, de wereld zien. Hun helden zijn niet de oorlogsveteranen, maar mensen als zangeres Marija Šerifovic, die in 2007 het Eurovisie Songfestival wint. Of wereldberoemde tennissers als Ana Ivanovic en Novak Ðokovic. Vol verlangen horen zij de verhalen van het Joegoslavie onder Tito, toen mensen nog konden reizen en in een ander land als gastarbeider mochten werken. Met grote vreugde vierden de Serviërs op 1 januari 2010 dan ook de opheffing van de visumplicht, waardoor het veel eenvoudiger wordt om de grenzen over te steken en nieuwe en andere landen te bezoeken.

Op 26 mei 2011 werd Ratko Mladic gearresteerd in Lazarevo, in de gemeente Zrenjanin. Hij zou daar onder de naam Milorad Komadic hebben geleefd. Een dag later bleek dat hij tijdens zijn arrestatie zijn eigen papieren bij zich droeg en geen schuilnaam gebruikte.

Een paar dagen later werd hij overgedragen aan het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag op verdenking van volkerenmoord, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Het proces loopt nog steeds, maar vanwege het gedrag van Mladic inmiddels zonder hemzelf.

Door de arrestatie van Mladic kon Nederland zijn eenzame protest tegen de toetreding van Servië tot de Europese Unie niet langer volhouden. Ondanks het feit dat er nog geen oplossing voor de status van Kosovo in zicht was, werd in maart 2012 het kandidaatslidmaatschap aan Servië toegekend. Ongeacht de uitslag van de presidentsverkiezingen in 2012 zal het integratieproces worden voortgezet, al is de weg naar het lidmaatschap ongetwijfeld nog lang en zwaar.

Servië heeft in het decennium na de val van Miloševic een onvoorstelbare transformatie doorgemaakt. Een land waarin een democratische traditie begint te ontstaan en – om op de uitspraak van Churchill terug te komen – een land dat op een volwassen manier met zijn eigen geschiedenis leert om te gaan.

Gerelateerde onderwerpen