Geschiedenis

De 22.000 jaar oude Venus van Moravany is een weelderige vrouwen-figuur gemaakt van een mammoetbot. Het is een van de vondsten waaruit blijkt dat Slowakije al ver voor onze jaartelling bewoond werd. Maar het is zeker niet het oudste archeologische voorwerp dat op Slowaakse bodem gevonden is. Dat is ruim 270.000 jaar oud. Het eerste schriftelijke bewijs komt van de Romeinen. Zij hadden in de 6e eeuw voor Chr. voor het eerst voet op Slowaakse bodem gezet. Tot de 2e eeuw voor Chr. stelde hun invloed in Slowakije weinig voor. Pas in 174 voor Chr. wist Marcus Aurelius dieper in Slowakije door te dringen. De grens van het Romeinse Rijk, de ‘Limes Romanus’ lag in het midden van de Donauvallei. Op de oevers van de rivier Hon schreef hij zijn filosofische werk ‘Overdenkingen’. In 179 voor Chr. graveerden de Romeinen een inscriptie in de rots onder het kasteel van Trencín. Zij markeerden hiermee het noordelijkste punt in de grens van het rijk.

De Romein Claudius Ptolemy noemde de Slaven in geschriften uit 160 Souveni. Later werd dat door de Slaven uit het Donaugebied zelf verbasterd tot Sloveni. Het gebied omvatte delen van Slowakije, Hongarije, Moravië (in Tsjechië), Oostenrijk en Slovenië. ‘Slowaken‘ is een afgeleide van het woord, net zoals ‘Slovenen’.

Tijdens de volksverhuizingen in de 5e eeuw kwamen de verre voor-ouders van de moderne Slowaken naar het gebied. In de zevende eeuw sloten de stammen zich aaneen onder leiding van de Frankische koopman Samo, om verzet te kunnen bieden aan de Avaren, een agressief Mongools nomadenvolk. Uit dit verbond ontstond twee eeuwen later het Groot Moravische Rijk, onder leiding van de twee dominerende volken, de Slowaken en de Tsjechen. Prins Pribina stond aan het hoofd van de Slowaken. Hij zetelde in Nitra. Hij liet daar de eerste christelijke kerk op Slavisch grondgebied bouwen en inwijden.

Onder Rastislav (846-870) kwamen de Griekse missionarissen Cyrillus en Methodius uit Byzantium naar de vallei van de Morava om het christendom te prediken. Zij vonden een gewillig oor omdat zij in de taal van het volk, het Slavisch predikten. Tijdens de regeerperiode van Ratislavs opvolger Svatopluk (870-894) omvatte het Groot Moravische Rijk Slowakije, Tsjechië en delen van Saksen, Silezië en Hongarije. Het bestuurlijke centrum lag in Moravië. Na de dood van Svatopluk viel het rijk uiteen. Invallen van de Magyaren (Hongaren) waren hier mede de oorzaak van. Zij slaagden erin een groot deel van Slowakije te veroveren. Dat was het begin van 1000 jaar Hongaarse overheersing, die tot 1918 zou duren.

De Hongaren wisten de Slowaken door strenge wetten te onderdrukken. Bovendien hadden de Hongaarse edelen het grootste deel van het land in bezit. Tegelijkertijd namen de Hongaren een deel van de levenswijze van de Slowaken over. Ze bouwden steden, raakten betrokken bij de handel en de landbouw en bekeerden zich tot het christelijke geloof.

In de elfde en twaalfde eeuw ontstond een feodale structuur en werd het leenwezen doorgevoerd. De adel gaf de grond in pacht aan horigen, die in ruil daarvoor tienden (een tiende deel van de opbrengst) moesten afstaan en herendiensten moesten verrichten.

Rond die tijd bleek dat onder de Slowaakse aarde een enorme rijkdom verborgen zat. De vondst van grote hoeveelheden koper, zilver en goud trok gelukszoekers uit heel Europa naar het gebied. Slowakije was het rijkste en economisch gezien best ontwikkelde deel van Hongarije. Vandaar dat de machthebbers de Slowaakse steden koninklijke privileges toekenden. Ze lieten een keten aan burchten en forten bouwen om die rijkdommen beter te kunnen beschermen. Ook de invallen van de Tataren, halverwege de 13e eeuw, stimuleerde de bouw van goede verdedigingslinies.

29 augustus 1526 was een belangrijke dag in de geschiedenis van Slowakije. Bij Mohács, een Hongaarse plaats aan de Donau, ten zuiden van Boedapest stond het Hongaarse leger met 25.000 man tegenover een overweldigende meerderheid van 80.000 Turkse strijders onder leiding van sultan Süleyman I. In anderhalf uur werd het Hongaarse leger volledig in de pan gehakt. 22.000 Hongaren vonden hun einde op het slagveld. De Hongaarse koning Ludvík II (Lodewijk, tevens koning van Bohemen) overleefde de strijd, maar verongelukte tijdens zijn vlucht. De slag maakte een einde aan het koninkrijk Hongarije.