Creolen

Kotomisi, creoolse vrouwen in klederdracht
Kotomisi, creoolse vrouwen in klederdracht

In het centrum van Paramaribo staat aan de Dr. Sophie Redmondstraat het standbeeld van Kwakoe. Het beeld stelt een vrijgevochten slaaf voor. Trots toont hij zijn verbroken ketenen. Kwakoe symboliseert de afschaffing van katibo, de slavernij, in 1863, en elk jaar vindt er op 1 juli een herdenking plaats. De afstammelingen van de vroegere negerslaven zijn de creolen. Het woord creool stamt af van het Portugese woord criar, wat in huis geboren of eigen kweek betekent. De term werd omstreeks de 16e eeuw voor het eerst gebruikt voor personen, die uit Spaanse of Portugese ouders in Zuid-Amerika en de West-Indische gebieden geboren waren. De kinderen van slaven die in de kolonie werden verwekt, werden creolen genoemd, ter onderscheiding van de zoutwaternegers, de slaven die direct uit Afrika waren aangevoerd.

Vanaf het begin van de koloniale overheersing in Suriname ontsnapten slaven van de plantages de bossen in en zowel in het bos als in de stad ontstond er een zwarte gemeenschap. In de jaren zestig van de twintigste eeuw bedachten Surinaamse politici uit electorale overwegingen het begrip boslandcreool als tegenhanger van de stadscreool. De Surinaamse politiek probeerde hiermee een beroep te doen op het saamhorigheidsgevoel van de creoolse gemeenschap. Wanneer men tegenwoordig spreekt over creolen bedoelt men de negerbevolking van de stad en de kuststreek. Zij vormen samen ongeveer 32% van de Surinaamse bevolking. In de loop der jaren zijn de creolen vermengd geraakt met andere bevolkingsgroepen en is het straatbeeld opgefleurd met een groot aantal moksi’s (gemengden).

Slavernijgeschiedenis

In de periode tussen 1600 en 1818, het jaar waarin deelname aan de slavenhandel door Nederland werd verboden, zijn ongeveer 850.000 slaven naar Suriname gebracht. Bij de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 waren er nog slechts 32.911 slaven over. De slechte levensomstandigheden en het zware werk op de plantages hadden ervoor gezorgd dat de slavenbevolking niet groeide. Op de dag van de onafhankelijkheid vierden de ex-slaven feest in Paramaribo. Drie dagen lang hield men kerkelijke plechtigheden, optochten en dansi’s. Daarna werden de creolen teruggestuurd naar de plantages, waar ze nog tien jaar onder staatstoezicht moesten blijven werken. Na de periode van het staatstoezicht keerden creoolse arbeiders de plantages in hoog tempo de rug toe. In 1873 werkten er nog 15.000 creolen in loondienst op de plantages; in 1883 was het aantal al gedaald tot 4.000. Paramaribo had de aantrekkingskracht van een magneet. Vooral jongeren trokken naar de stad om daar werk te zoeken. De beste kansen in koloniaal Suriname waren allereerst weggelegd voor de blanken en vervolgens voor de lichtgekleurde creolen die door menging met blank bloed hun kleur hadden ‘verbeterd’, of zij die tijdens de slavernij als huisslaaf of ambachtsslaaf hadden gediend en de kunst van het blank zijn hadden afgekeken.

Zelfstandig bestaan

De lichtbruine creoolse elite vestigde zich in Suriname als kleine zelfstandige en vormde de middenklasse van de maatschappij. De creoolse vrouwen die in kleur minder gunstig waren toebedeeld werden dienstmeid of wasvrouw. De mannen uit de volksklasse vonden werk in de houtkap en goudwinning, of verhuurden zich als balatableeders, aftappers van het rubberachtige balata, tot de vraag naar balata op de wereldmarkt in de crisisjaren 1920-1930 afnam. Vanaf de Tweede Wereldoorlog boden de bauxietbedrijven en projecten in het binnenland van Suriname, zoals de aanleg van de stuwdam en de spoorlijn in West-Suriname, nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid. Nadat ook die economische opleving langzaam maar zeker afnam, trokken veel creolen naar de Nederlandse Antillen om er te werken aan de opbouw van de olie-industrie, of waagden zij zich aan de grote oversteek naar Nederland. Onder de creolen die in de Paramaribo bleven, is altijd een begrijpelijke aversie tegen de landbouw blijven bestaan. Na jarenlang verplichte arbeid op de plantages, vielen juist de beroepen van de blanken, de witteboorden-baantjes in de ambtenarij, in de smaak. Tegenwoordig is onder creolen de overheid nog altijd een populaire werkgever.

Leefwijze van de creolen

De creolen in Suriname hebben veel westerse elementen van hun koloniale overheersers overgenomen, waardoor hun levenswijze voor een groot deel Europees is geworden. Al in de tijd van de slavernij kwamen creolen in aanraking met Europese gewoonten. In 1830 leefden er in Paramaribo 766 blanke mannen en 545 blanke vrouwen. Door het grote mannenoverschot in die tijd bij de Europeanen leefden blanke mannen vaak samen met een slavin. De vrouw in kwestie was in functie als huishoudster, maar verrichtte ook nevenactiviteiten voor haar eigenaar. Het koloniaal bestuur verbood weliswaar seksueel contact met slaven, maar mannelijke overtreders hoefden slechts kleine geldbedragen of hoeveelheden suiker als boete af te staan. Blanke vrouwen die een relatie onderhielden met een slaaf moesten zwaar boeten voor hun heimelijke flirt. De vrouw werd gebrandmerkt en de slaaf kreeg de doodstraf. De Surinaamse ‘misi’, zoals de huishoudsters genoemd werden, namen het denkpatroon en het gedrag van hun bazen gedeeltelijk over en gaven het door aan hun kinderen. De nazaten die de planters bij hen verwekt hadden, waren vrije kleurlingen en hadden een bevoorrechte positie ten opzichte van de anderen.

Kerk en school

De westerse cultuur onder creolen in Suriname werd behalve door de koloniale overheersers ook doorgegeven door zendelingen en missionarissen die naar het land kwamen om de slaven te bekeren. Aanvankelijk werd het de leden van de Evangelische Broedergemeenschap en de rooms-katholieken verboden zieltjes te winnen onder de slaven. Men wilde de kloof tussen blank en zwart zo breed mogelijk houden. Pas toen het zich liet aanzien dat de slavernij een aflopende zaak was, werden de planters verplicht hun slaven godsdienstige beschaving bij te laten brengen. Het koloniaal bestuur vreesde de controle over de slaven in Suriname te verliezen als zij na hun vrijlating als ‘wilden in het oerwoud zouden gaan leven’.

Het instellen van de leerplicht in 1874 voor de voormalige Surinaamse slaven-kinderen, was misschien wel de belangrijkste reden waarom de eigen cultuur bij de creolen verwaterde. Tegelijkertijd werd het Nederlands als voertaal verplicht gesteld. Leerplichtigen kregen de levenswandel van Willem van Oranje voorgeschoteld, maar de eigen geschiedenis van slavernij en kolonisatie werd tot voor kort nauwelijks behandeld. Binnen het gezinsleven is het westerse huwelijk niet altijd gekopieerd. Eenoudergezinnen waarbij de vader ontbreekt, komen veel voor. Al tijdens de slavernij hielden slaven er bezoekersrelaties op na, omdat het hun verboden was een wettelijk huwelijk te sluiten. Het werd de slaven toegestaan ’s nachts slavinnen op andere plantages te bezoeken, mits zij bij dageraad weer terugkeerden.

Het christendom kon aanvankelijk niet echt diep doordringen in de denkwereld van de Surinaamse creolen. Hoewel in het Wetboek van Strafrecht afgoderij tot 1971 officieel als strafbaar feit stond genoteerd, werd het winti-geloof nooit helemaal uitgeroeid. Vooral in tijden van nood grijpt de creoolse bevolking terug naar het uit Afrika afkomstige geloof in winti’s (geesten) en verering van de voorouders. In een aantal rituelen moeten kwade geesten worden bezworen en goede geesten om raad worden gevraagd.

Het winti-geloof is voornamelijk een praktische cultus die moet helpen bij allerlei moeilijkheden in het dagelijks leven. Als de huisarts niet meer kan helpen en bij gebrek aan een psychiater voor het zielenheil, kan lichamelijke of geestelijke tegenspoed worden bestreden door een aantal rituele handelingen. De meeste ziekten of problemen worden veroorzaakt door een verstoord contact tussen levenden, overledenen en winti’s. Op een winti-prei, een feest met trommels en dans onder leiding van een bonuman (medicijnman) wordt dat contact met hogere machten hersteld. De opgeroepen geesten geven antwoord via het lichaam van een van de deelnemers. Deze deelnemer raakt in trance en ‘heeft een winti’. Om de behandeling te voltooien, kan de geneesheer de patiënt geneeskrachtige kruidenbaden (wasi’s) en medicijnen voorschrijven. Om de winti-prei hangt een sfeer van geheimzinnigheid. De ontmoetingsplaats is bij voorkeur ergens buiten Paramaribo en alleen bekend in ingewijde kringen. Veel Surinamers zijn huiverig voor het krijgen van een winti. Zij geloven dat een lichaam dat vrij is van geesten, niet bezoedeld moet raken.

Gerelateerde onderwerpen

  • Boeroes

    Boeroejongetje en marronmeisje
    Ten westen van het centrum van Paramaribo zijn nog enkele buurten met Hollands klinkende namen als Tammenga, Van Dijk, Stolkbuiten en Engelbuiten, vernoemd naar...
  • Chinezen

    Chinese markt in Paramaribo
    Chinezen zijn niet meer weg te denken uit de Surinaamse samenleving, al was het alleen maar vanwege de winkel van omu snesi (oom Chinees) op praktisch elke...
  • Hindostanen

    Traditionele Hindostaanse danser
    Na de afschaffing van de slavernij in Suriname in 1863 ontstond al snel een tekort aan arbeidskrachten op de plantages. Om dit tekort op te vangen, werden er...
  • Inheemsen

    Sjamanistisch ritueel onder inheemsen
    De inheemsen in Suriname werden voorheen indianen genoemd. Christoffel Columbus meende immers in Indië te zijn beland en noemde de bevolking die hij in de Nieuwe...
  • Javanen

    Djaran Kepang, Javaanse paardendans
    Multatuli schreef al dat Javanen tevreden zijn met een bordje rijst. Deze levenshouding moeten de Hollandse planters in Suriname aantrekkelijk hebben gevonden....
  • Joden

    Ruïne van de synagoge bij Jodensavanna
    De invloed van de joden op de Surinaamse gemeenschap is nog maar van geringe betekenis. Het aantal joden dat bij een van de twee joodse gemeenten staat...
  • Marrons

    Marronvrouwen in Jawjaw
    Marron is een benaming voor slaven die van de Surinaamse plantages wegliepen. De term is afgeleid van het Spaanse címarron, een benaming voor ontsnapt vee....

Reactie toevoegen