Geschiedenis

foto KIT, contractarbeiders uit Nederlands-Indië
foto KIT, contractarbeiders uit Nederlands-Indië

Wilde kust

De naam Suriname is mogelijk afgeleid van een oude indianenstam de Surinen. De eerste bewoners van Suriname waren Arowakken- en Karaïben-indianen die elkaar bevochten om de beste landbouwgronden. De twist tussen deze stammen werd later handig gebruikt door de Europese kolonisten, die het aantal indianen snel deden dalen door westerse ziekten als pokken en mazelen die zij uit Europa meebrachten. De eerste Europeanen die de wilde kust van de Guyana’s aandeden, waren op een verkenningstocht onder bevel van Columbus. Zij troffen niets anders aan dan oerwoud.

Pas jaren later toen Europa aan goudkoorts leed, werd het gebied door verschillende Europese expedities onderzocht op het beloofde eldorado, echter zonder resultaat. Na de Spaanse neergang kwamen westerse handelsmaatschappijen in zwang, op zoek naar nieuwe waren. Rond 1600 werden de eerste Europese handelsposten opgericht, van waaruit metaal en ijzeren voorwerpen met de indianen tegen tabak, cacao en indigo werden geruild. Veel Europeanen bezweken echter aan ziekten of werden weer op hun beurt van hun posten verdreven. Men spreekt echt van kolonisatie sinds 1651 toen de Engelse gouverneur van Barbados, Francis Willoughby, suikerplanters naar Suriname stuurde om daar plantages te beginnen.

Zeeuwse kolonisatie

Tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) voeren de Staten van Zeeland uit om de Engelsen uit Guyana te verdrijven en om zo het gebied rond hun reeds bestaande koloniën Essequibo en Berbice (het latere Brits-Guyana) te veroveren. De Engelsen gaven zich snel over en bij Paramaribo werd Fort Zeelandia gevestigd. Bij de vrede werd bepaald dat de Nederlanden het bestuur kregen over het veelbelovende Suriname in ruil voor de kolonie Nieuw-Amsterdam, het latere New York.

De Zeeuwen waren door het gevecht met de Engelsen en de op Engelse hand zijnde Karaïben-indianen in aantal uitgedund. In 1686 kwam er een vrede tot stand tussen de Zeeuwen en de Karaïben waarin bepaald werd dat de indianen alleen bij begane misdaden tot slaaf mochten worden gemaakt. De Engelse planters die in de kolonie waren achtergebleven, hadden inmiddels ervaring opgedaan met de verbouw van suiker. Hun succes trok Portugese joden aan uit Brazilië, op de vlucht voor de katholieke kerk, en allerlei fortuinzoekers uit Europa. De blanke gemeenschap vormde door deze verschillende achtergronden op geen enkel gebied een eenheid. Zo ver van huis vervaagde het gevoel van moraal en goede zeden. Omdat vrouw en kinderen over het algemeen achterbleven in het thuisland, hielden veel van de planters er een slavin of vrije kleurling als bijzit op na. Bovendien was het leven op een plantage, ver van de stad, saai en elke afleiding welkom.

West-Indische Compagnie

Het bestuur over Suriname werd uit handen gegeven aan de West-Indische Compagnie, die, om het financiële risico te spreiden, de stad Amsterdam en de familie Van Aerssen van Sommelsdijck bereid vond als partner deel te nemen aan het beheer van de kolonie. Zo ontstond eveneens in 1686 de Geoctrooieerde Sociëteit van Suriname. Het hoogste gezag lag in handen van de door de Sociëteit gekozen gouverneur die in eerste instantie de belangen van de Sociëteit diende te behartigen. Vooral de militaire kosten vormden een constant twistpunt. Uit angst voor aanvallen van indianen en weggelopen slaven dreigden de kolonisten de kolonie te verlaten, indien er niet aan hun eis van meer bescherming werd voldaan. De gouverneur moest echter van de Sociëteit de kosten voor defensie zo laag mogelijk houden.

Aan het eind van de 18e eeuw besloot men, vanwege de weinig winstgevende situatie, de Sociëteit te ontbinden. Vlak daarna kwam Suriname, als gevolg van de machtsstrijd in Europa tussen Engeland, Frankrijk en de Republiek der Nederlanden, weer voor korte duur in handen van de Engelsen. Na de nederlaag van Napoleon gaven de Engelsen de kolonie terug aan de Republiek.

Plantage-economie

Tot 1863, het jaar van de afschaffing van de slavernij, liep het aantal plantages in Suriname in de honderden; zij lagen vanwege de aan- en afvoer van goederen aan de Surinamerivier, de Cottica- en de Commewijnerivier. De meeste verbouwden suiker, koffie, katoen en cacao voor de export naar Europa en vormden door het ingewikkelde productieproces gedeeltelijk industriële bedrijven. Enkele waren landbouwbedrijven die de voedselvoorziening voor de blanke gemeenschap in Paramaribo verzorgden.

De slaven leefden, afgezien van hun karig rantsoen, van hun landbouwgrondjes rond de plantages. De eigenaren van de plantages verkozen steeds vaker het leven in de stad of in het verre Europa en lieten hun zaken behartigen door administrateurs die op hun beurt directeuren aanstelden voor het dagelijks bestuur op de plantages. Het toezicht op de slaven werd gehouden door ‘blankofficieren’ of blanke opzichters die in rang en stand de onderlaag vormden van de blanke gemeenschap. De verdiensten van de directeuren waren veelal gebaseerd op een commissiesysteem, waardoor zij gebaat waren bij snelle oogsten ten koste van de kwaliteit van de landbouwgrond. Door hoge lonen voor de opzichters, investeringskosten en grote concurrentie op de afzetmarkten viel de winst voor de eigenaren tegen. De meeste verdiensten gingen naar de Amsterdamse kooplieden en de suikerraffinaderijen en koffiebranderijen in Nederland.

Onderwerpen

  • De onafhankelijkheid

    foto KIT, ondertekening onafhankelijkheid
    In Nederland gingen in de jaren zeventig van de vorige eeuw steeds meer stemmen op voor dekolonisatie van Suriname. Hoewel Suriname een hoge mate van zelfbestuur...
  • Suriname nu

    Herdenkingsfeest afschaffing slavernij
    Suriname werd in 1975 onafhankelijk. Een onafhankelijkheid die ontstaan is op verzoek van progressief Nederland, meer dan van de Surinaamse bevolking zelf....

Reactie toevoegen