Het Cottica-gebied

Kinderen op de Cotticarivier
Kinderen op de Cotticarivier

Na plantage Alliance splitst de Commewijnerivier zich af in de Cottica, die van het district Commewijne overloopt in het district Marowijne. De sterk kronkelende Cottica is een smallere rivier dan de brede Beneden-Commewijne. De bewoonde Surinaamse wereld ligt ver weg en de dichte begroeiing langs de oevers onttrekt het achterliggende land aan het oog. Vogels vliegen op uit het oerwoud en reizen een eindje mee met de boot. De dorpen langs de Cottica zijn ook bereikbaar via een brede laterietweg, tien kilometer na Stolkertsijver aan de oost-westverbinding, maar veel leuker is het gebied per boot te bezoeken. In het landschap is door de eeuwen heen weinig veranderd. Een met de hand getekende zeemanskaart uit de 17e eeuw kan nog steeds van pas komen.

Geschiedenis

Door toedoen van binnenlandse oorlogen is de rust in deze streek lange tijd verstoord geweest. De eerste dorpen in dit gebied ont-stonden in de 18e eeuw. Gevluchte plantageslaven, marrons, trokken niet meer diep het bos in, maar legden rond de rivieren in de kuststreek versterkte dorpen aan. Deze vestigingsplaatsen hadden het karakter van schuilplaatsen, van waaruit de marrons de plan-tage-ondernemingen binnenvielen om te plunderen. Boekoe, een vestiging van de Boni-negers in een zwamp bij de Cotticarivier, was een van de bekendste dorpen uit die tijd. De Boni ontleenden hun naam aan hun granman Boni, die in het bos als vrij man was geboren. Pogingen van het koloniale leger om het dorp te belagen mislukten vanwege de moerassige omgeving en de voortdurende beschietingen van de Boni.

Het korps Zwarte Jagers werd opgericht uit slaven die de vrijheid konden verdienen door te strijden tegen hun weggelopen lotgenoten. In 1772 stuurde luitenant Frederici de jagers naar Fort Boekoe. Door de lage waterstand in de droge tijd kon het korps eindelijk het pad vinden dat door de zwamp naar het kamp leidde. Een hinderlaag werd aangelegd: een deel van de jagers deed voorkomen het moeras te willen oversteken, terwijl een ander deel over het pad optrok en de Boni in de rug aanviel. De Boni hebben heldhaftig weerstand geboden aan de koloniale troepen. Boni zelf wist te ontkomen en vluchtte met aanhangers naar de Franse kant van de Marowijnerivier.

De afstammelingen van deze Boni worden nu Aluku genoemd, naar granman Aluku (hij die ziet). Over het legendarische verhaal van Boekoe wordt tegenwoordig in de geschiedenisboeken en op school verteld. Uiteindelijk nam de druk van de koloniale eenheden af en werden vredesverdragen met de marrons gesloten. Aukaner-marrons (ook wel Ndyuka’s genoemd) trokken vanuit het afgelegen binnenland naar de Cottica, om zich eveneens aan de kustrivier te vestigen.

Junglecommando

Lange tijd konden de marrons in vrede leven. De enige bedreiging voor de dorpsstructuur was het gebrek aan werkgelegenheid. Door het contact met de westerse wereld in de vorm van de rooms-katholieke missie, begonnen de mannen na de Tweede Wereldoorlog naar de stad te trekken. Zij lieten ontwrichte dorpen achter en kwamen in Paramaribo op de onderste tree van de sociale ladder terecht. De situatie verslechterde voor de boslandcreolen toen in 1986 het junglecommando onder leiding van Ronnie Brunswijk felle tegenstand bood aan het nationaal leger van Desi Bouterse. Het oosten van Suriname werd de brandhaard van de onlusten die het karakter van een guerrilla aannamen. Brunswijk wierp zich op als een moderne Robin Hood door voor het volk te plunderen. Voorstanders van het commando noemden de aanhangers van Brunswijk marrons, verwijzend naar de heldendaden van de gevluchte plantageslaven uit het verleden.

Moi Wana

De binnenlandbewoners werden de spil van een oorlog die over hun hoofden werd gevoerd. Al gauw werden de marrons in het Cottica-gebied door het nationaal leger ervan verdacht collectieve steun te verlenen aan het rebellerende junglecommando. Bouterse gaf opdracht het gebied rond de Cottica te ‘zuiveren’ om zo de jacht op Brunswijk te vergemakkelijken. Duizenden marrons en inheemsen vluchtten naar inderhaast ingerichte kampen in Frans-Guyana en Paramaribo. De achterblijvers werden door het leger gezien als pro-Brunswijk. Op 29 november 1986 werden tijdens een zoekactie van het nationaal leger in het dorpje Moi Wana in de buurt van Mungo een groot aantal burgers onder wie vrouwen en kinderen door soldaten vermoord. Langs de oost-westverbinding ter hoogte van waar het dorpje vroeger lag, is een groot herdenkingsmonument opgericht.

Vanaf 1991 kwam de repatriëring van de bevolking en de wederopbouw van de dorpen langzaam op gang. Nu nog maken de dorpen een desolate indruk. De mannen zijn veelal weggebleven om elders geld te verdienen.

Wan Ati

Voordat u varend over de Cottica vanuit westelijke richting het hoofdplaatsje van het gebied Tamarin bereikt, komt u langs een aantal kleinere dorpen. Het Aukanerdorp Wan Ati (één hart) aan de oever van de Cottica is daar één van. De rivier vormt een belangrijke factor in het dorpsleven. In het water wast men kleding, de vaat en zichzelf. Bij het betreden van het dorp valt de lage ereboog op, de toegangspoort tot het dorp. Mannen mogen er onderdoor, en vrouwen moeten langs de poort lopen. Op deze manier blijven kwade geesten, die immers niet kunnen bukken, buiten.

Wanneer u een bezoek aan het dorp brengt, dient u allereerst uw opwachting te maken bij de kapitein om de reden van uw komst te verklaren. Niet zelden belegt de kapitein met zijn basya (hulpkapiteins) een krutu (vergadering). De hiërarchie is streng bepaald. Als bezoeker mag u de kapitein niet direct aanspreken, maar moet een vraag via de basya worden gesteld. Het aanbieden van een djogo (literfles bier) helpt zeker om de kapitein gunstig te stemmen, zodat u in het dorp kunt gaan rondkijken. De huizen lijken willekeurig door elkaar heen te staan, maar vormen toch een zeker patroon. De Surinaamse vlag staat in het midden van het dorp, voor het huis van de kapitein. Familieleden bouwen hun huizen in groepjes bijeen rond kleine pleintjes. De traditionele dakbedekking van palmbladeren is grotendeels vervangen door golfplaten. De huizen zijn opgedeeld in twee kamers. Eén ruimte dient als keuken, de ander als slaapplaats en voor de opslag van goederen.

In Wan Ati kan gelogeerd worden in hangmatten in het logeergebouw van de Evangelische Broedergemeente, of in het kampje van Frits aan de rivier. Telefonisch reserveren is niet mogelijk. U zult de beheerders dus met uw komst moeten verrassen. Achter het dorp liggen de kostgronden. Deze akkers worden door de mannen aan het oerwoud ontfutseld en bouwrijp gemaakt. Vervolgens bewerken de vrouwen het land, terwijl de mannen gaan jagen of vissen. Na enkele jaren raakt de grond uitgeput en wordt er een nieuw kostgrondje aangelegd. In de avond vertelt men elkaar tori (verhalen), zoals van de tweelingbroers die op de zandrits Paradijs, vlakbij Wan Ati, woonden en verliefd waren op dezelfde vrouw. Gaan-Gadu, de oppergod, kon de twist in het paradijs niet langer aanzien. Hij veranderde de twee broers in bomen. Vandaag de dag nog staan er in de buurt van de zandbank vlak naast elkaar twee identieke bomen. De boompjes zijn zo groot als mensen en worden, naar men zegt, niet hoger.

Tamarin

Het einddoel van uw tocht over de Cottica zal waarschijnlijk Tamarin zijn, het grootste dorp van de streek. Jaren geleden was Tamarin het centrum voor de katholieke missie in de regio, maar de binnenlandse oorlog maakte daar een einde aan. Troepen van het nationaal leger, op zoek naar Brunswijk, beschoten vanuit de lucht de kerk en de kostschool. De gebouwen staan er nog steeds. Eens moet Tamarin een welvarende gemeenschap zijn geweest. Er was een school, een bakkerij, een houtzagerij en uiteraard een kerk. Inmiddels zijn veel mensen weggetrokken en vertoont het dorp minder activiteit.

Bestemmingen in de omgeving van Het Cottica-gebied

  • Commewijne

    Hollandse plantagesluis
    Een tocht langs de plantages van Commewijne, het district ten oosten van Paramaribo, is op verschillende manieren mogelijk. Een van de mogelijkheden is een...
  • Frans-Guyana

    Beeld van een kampgevangene in Saint-Laurent
    Bij een bezoek aan Albina, het grensplaatsje in het oosten van Suriname, is het verleidelijk om even over te steken naar het buitenland: Frans-Guyana. Wie wil...
  • Marowijne

    Strand bij indianendorp Galibi
    Marowijne is het uiterste district in het oosten van Suriname. Het grensplaatsje Albina aan de Marowijnerivier vormt een schakel met Frans-Guyana. Vanaf Albina...
  • Naar Matapica

    Matapicastrand
    De Surinaamse kust is niet de plaats bij uitstek voor grote hotels, ligbedden en parasols. Wie er echter een lange tocht per boot voor over heeft, vindt aan de...
  • Schildpadden

    Lederschildpad op Galibistrand
    In Suriname leggen vier soorten zeeschildpadden hun eieren: de krape (beter bekend als soepschildpad), de warana, de karet en de reusachtige aitkanti (...