VOC: stichting en ondergang

Specerijenhandel

De Portugezen hadden de handelsroute naar Indië ontdekt en hadden de handel in specerijen in handen. Echter, tegen het einde van de zestiende eeuw waren zij niet langer in staat om Europa hiervan te voorzien. Omdat steeds minder goederen Europa bereikten, stegen de prijzen. Daarop voeren gelegenheidsrederijen uit Amsterdam en Zeeland naar Azië. Deze rederijen bleken met elkaar te concurreren, waardoor de positie van de Portugezen versterkte. Om hieraan een eind te maken, werd in 1602 de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) gesticht.

Structuur en missie VOC

De Vereenigde Oostindische Compagnie kreeg van de Staten-Generaal het monopolie over handel in Azië. Het kapitaal van de VOC werd verdeeld in aandelen, hierdoor was dit bedrijf ‘s werelds eerste naamloze vennootschap. De VOC was verdeeld in kamers die waren gevestigd in Amsterdam, Middelburg (Zeeland), Delft, Hoorn en Enkhuizen. De import en export van goederen waren verdeeld: Amsterdam kreeg de helft in handen, Middelburg een kwart en Delft, Hoorn en Enkhuizen elk een tiende. De VOC diende te varen, te handelen, forten te bouwen en plaatselijke besturen te installeren.

Einde VOC

Tijdens de Vierde Nederlands-Engelse oorlog (1780-1784) verslechterde de positie van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Geen schepen, beladen met handelswaar, keerden terug uit Azië. In 1799 werd de VOC eigendom van de staat. In de 197 jaren dat de Vereenigde Oostindische Compagnie bestond, werden bijna vijfduizend schepen uitgerust om de vaart naar Azië te maken. Het bedrijf bepaalde eeuwenlang het gezicht van Holland en Zeeland, later van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Jan van Riebeeck naar Afrika’s zuidpunt, stichting Kaapstad

In 1651 kreeg Jan van Riebeeck, voormalig opperhoofd van de VOC-handelspost in Tonkin, opdracht om naar ‘Cabo da Boa Esperança’ te varen. Hij vertrok met drie schepen: Dromedaris, Reijger en Goede Hoop. Op 6 april 1652 zette hij voet aan wal van Table Bay en liet een beschermd verversingsstation bouwen en moestuinen aanleggen. Hier konden VOC-schepen aanleggen en bijladen voordat zij hun zeetocht voortzetten naar Indië. Van Riebeecks verversingsstation bleek niet bestand tegen Kaapse winters. Bovendien dreigde een nieuwe Nederlands-Engelse oorlog, waardoor zijn opvolger opdracht kreeg om een stenen fort met vijf grote bastions te bouwen. In de daaropvolgende jaren groeide een nederzetting (‘Kaapstad’) rondom het fort.

Vrijburgers

Nederlanders, Duitsers, Schotten en hugenoten (Franse protestanten die in hun thuisland werden vervolgd en naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vluchtten) reisden op schepen van de VOC naar de Kaap. Zij werden daar ‘vrijburgers’ genoemd en kregen land voor verbouw van gewassen. De prijzen van hun producten werden bepaald door de Vereenigde Oostindische Compagnie. Vrijburgers kwamen in contact met Khoi (ook Khoikhoi genoemd; afstammelingen van San) die leefden van veeteelt en visserij. Omdat Khoi een taal spraken met klikgeluiden, werd hun de naam ‘hottentotten’ (‘stotteraars’) gegeven. Vrijburgers en Khoi dreven handel en een toenemend aantal Khoi werkte als goedkope arbeidskracht op de boerderijen.