Klimaat

De lucht boven Bellinzona
De lucht boven Bellinzona, © Switzerland Tourism-Stephan Engler

Het is heel goed mogelijk dat u met regen de SintGotthardtunnel inrijdt en er met zon uitkomt. Dat komt doordat de Alpen in Europa een scheidslijn vormen tussen weersinvloeden uit het noorden en het zuiden. De weersomstandigheden ten noorden van de Alpen worden bepaald door Atlantische of uit het oosten afkomstige hoge of lagedrukgebieden. De gebieden ten zuiden van de Alpen, waarmee in de weerberichten vooral Ticino wordt bedoeld, staan onder invloed van de Middellandse Zee. De Zwitserse Hoogvlakte heeft dankzij haar beschutte ligging tussen Jura en Alpen een gematigd MiddenEuropees klimaat, terwijl de Jura een wat vochtiger klimaat heeft. De meeste neerslag valt echter in de vorm van stijgingsregens aan de Franse zijde van de Jura.

Stijgingsregens

Stijgingsregens komen overal voor waar bergen zijn. Warme lucht kan meer waterdamp bevatten dan koude lucht. Als relatief warme lucht tegen een bergketen aanwaait, wordt deze omhoogge drukt. Tijdens het stijgen van de lucht koelt deze af. Door het kouder worden condenseert veel waterdamp die in de vorm van neerslag tegen de berghelling valt.

Wallis en de dalen van Graubünden staan, dankzij hun beschutte ligging, tijdens de zomermaanden als regenarm en zonnig bekend. In Ticino valt gemiddeld meer regen, maar schijnt ook veelvuldig de zon, want in Ticino valt de regen meestal als een dagelijkse, kortdurende maar hevige regenbui. De rest van de dag is het vaak zonnig en aangenaam, 's Winters sneeuwt het op de Zwitserse berghellingen. Gebieden als Wallis, Graubünden, Berner Oberland, Alpes Vaudoises, Jura en delen van CentraalZwitserland zijn een groot deel van de winter met sneeuw bedekt.

Microklimaten

In het Zwitserse heuvel en bergland heeft bijna elke 100 km2 een eigen microklimaat. In de dalen kan het lang mistig zijn, terwijl het boven de 1500 of 2000 m zonnig is. De temperatuurverschillen kunnen ook groot zijn: normale temperaturen in de dalen, maar strenge tot zeer strenge vorst in de hogere alpengebieden; hoge temperaturen tijdens het middaguur en lage temperaturen gedurende de avond en nacht; en temperatuurverschillen tussen in de zon gelegen zuidhellingen en in de schaduw gelegen noordhellingen.

Onbestendigheid

In de Alpen blijven depressies vaak tussen de bergen hangen, waardoor het weer gedurende enige tijd van streek kan blijven. Het weer heeft over het algemeen een onbestendig karakter, waarbij veel neerslag kan vallen.

Bergwandelaars worden vaak verrast door regen en onweersbuien en door snel dalende temperaturen; een heldere hemel in de ochtenduren betekent niet op voorhand een blauwe hemel in de middag en avonduren! Onderschat veranderende weersomstandigheden nooit en zorg dat u tijdens het wandelen altijd kleding bij u draagt waarmee u zich kunt beschermen tegen regen, wind en kou. Neem deze kleding ook mee als u met een kabelbaan de bergen in gaat; het kan op grote hoogte behoorlijk koud zijn, met name als de zon zich enige tijd achter de wolken schuil houdt.

De föhn

Een alleen in de Alpen voorkomend verschijnsel is de föhn: een warme en droge valwind, die vooral in het voorjaar voorkomt en de temperatuur in enkele uren meer dan tien graden kan doen stijgen. De vaak krachtige föhnwind komt vooral voor in de noordelijke alpendalen. Deze valwind ontstaat doordat er aan de noordzijde van de bergkam een lagedrukgebied heerst, terwijl er aan de zuidzijde een hogedrukgebied heerst. Het gevolg is dat de lucht van de ene zijde van de bergkam naar de andere zijde wordt gezogen. De lucht ten zuiden van de Alpen stijgt op tegen de hellingen, koelt af en krimpt: al het aanwezige vocht valt als neerslag tegen de berghelling. De föhn doet de sneeuw in het voorjaar sneller smelten en leidt vaak tot lawines. Extra voorzichtigheid is dan ook geboden als de föhn waait.