Ontstaan van de Alpen

Klimmen in de Alpen in Wallis. Drie klimmers bestijgen via de oostelijke route de 4527 meter hoge Liskamm
Klimmen in de Alpen in Wallis. Drie klimmers bestijgen via de oostelijke route de 4527 meter hoge Liskamm. ©Switzerland Tourism-Robert Boesch

Vanaf het tijdperk Carboon (ca. 300 miljoen jaar geleden) tot aan het begin van het Neozoïcum, dat wil zeggen ca. 60 miljoen jaar geleden, lag het gebied waar nu de Alpen omhoogrijzen onder water. In deze lange geologische periode vormden zich in deze zee dikke lagen afzettingsgesteenten. Voorts drong vanuit de diepte vloeibaar magma omhoog dat tussen de afzettingsgesteenten drong, vervolgens afkoelde en stolde. Dit aldus gevormde graniet vormt voor een deel de kern van het huidige gebergte. Veel gesteenten werden door de druk en hitte samengeperst tot metamorfe, kristallijne gesteenten, zoals gneiss (samengeperst graniet), glimmerschist (samengeperste klei met micamineralen), marmer (samengeperst kalksteen) en kwartsiet. Met andere woorden, dit zijn allemaal stollingsgesteenten en afzettingsgesteenten die onder grote druk (van de oorspronkelijk boven liggende jongere gesteenten) en hoge temperatuur zijn omgevormd tot compacte en zeer harde gesteenten. Zij zijn in het landschap herkenbaar aan de sliertige, dunne lijnen.

Daarbovenop lagen dikke pakketten afzettingsgesteenten, voornamelijk kalksteen en conglomeraten (bestaande uit kiezelsteen, gruis en keien, samengekit door zand en klei). Dit dikke pakket gesteenten kwam in de tijdperken Boven Krijt en Tertiair boven water doordat de aardkorst zich op deze plek plooide (orogenese) en er bergketens werden gevormd. De plooiing ontstond doordat het gebied op een plek lag (en ligt) waar twee reusachtige continentale platen tegen elkaar begonnen te drukken, een proces dat nog steeds aan de gang is.

Karakteristiek voor de Alpen is dat de gesteentelagen niet alleen plooiden, maar ook over grote afstanden over elkaar heen schoven: sommige met verschuivingsafstanden van meer dan 50 km. Een verschuivingsvlak dat over een ander gesteente is geschoven, heet een dekblad. Het plooien en verschuiven van gesteentelagen is, met een gemiddelde snelheid van 5 cm per jaar, een langzaam en langdurig proces. Vergist u zich echter niet: een verschuiving van 5 cm per jaar geeft na 1 miljoen jaar een totale verschuivingsafstand van 50 km! Met andere woorden: ondanks de relatief langzame snelheid van dit proces kunnen gesteentelagen in een geologisch korte periode van 1 miljoen jaar behoorlijk verkreukelen. Het Alpenmassief verkeert nog in een opheffingsfase en dus groeit het relatief jonge plooiingsgebergte nog steeds. Volgens recente satellietmetingen met ongeveer 1 mm per jaar.

Warmwaterbronnen

In tektonisch actieve streken en voormalige vulkanische gebieden is de ondergrond vaak nog gloeiend heet; op sommige plaatsen wordt het grondwater dus erg warm. Vandaar dat u in de Alpen warmwaterbronnen vindt. Het warme water bevat grote hoeveelheden opgeloste stoffen, waaronder mineralen (bodemzouten). Veel van deze mineralen zijn gezond voor de menselijke huid, andere hebben een geneeskrachtige werking. Veel van deze warmwaterbronnen zijn heerlijk van temperatuur, met als gevolg dat er rondom de bronnen kuurbadplaatsen zijn ontstaan waar u kunt baden.

Toppen

De Alpen strekken zich over een afstand van meer dan 1000 km uit over het centrum van Europa, van MiddenFrank rijk tot in voormalig Joegoslavië. Het centrale gedeelte van het gebergte ligt in Zwitserland, waar een honderdtal toppen tot een hoogte van ongeveer 4000 m reikt, met als letterlijk hoogtepunt de Dufourspitze (4634 m, Monte Rosa groep) in de Walliser Alpen. Ten noordwesten van het hooggebergte liggen de VoorAlpen die een hoogte bereiken van ongeveer 2000 m. Deze bergen zijn voornamelijk opgebouwd uit de eerder genoemde conglomeraten.

De hoogste bergen van Zwitserland

Dufourspitze (Wallis) 4634 m
Dom (Wallis) 4545 m
Weisshorn (Wallis) 4506 m
Matterhorn (Wallis) 4478 m
DentBlanche (Wallis) 4357 m
GrandCombin (Wallis) 4314 m
Finsteraarhorn (Berner Oberland/Wallis) 4274 m
Aletschhorn (Wallis) 4195 m
Breithorn/Zermatt (Wallis) 4165 m
Jungfrau (Berner Oberland/Wallis) 4158 m
Mönch (Berner Oberland/Wallis) 4099 m
Schreckhorn (Berner Oberland) 4078 m

Erosie

Een groot deel van de Alpen bestaat thans uit bossen. De wouden zijn van grote betekenis voor het tegengaan van versnelde erosie en het verbeteren van het milieu. Op zich is erosie een natuurlijk proces dat thuishoort in een gebergte. Door verwering en erosie slijten de gesteenten onder invloed van de elementen. Regenwater dat over een gesteente of bodem stroomt spoelt zeer geleidelijk stukjes steen en bodem los en voert deze onder invloed van de zwaartekracht met zich mee de berghelling af. Geen berg of bodem is hiertegen bestand.

Bij een normale erosie is er bijna een evenwicht tussen de hoeveelheid afgevoerd bodemmateriaal en de vorming van nieuwe bodem. Per saldo verdwijnt er slechts weinig bodemmateriaal. Als de verwijdering van de bodem veel sneller gaat dan de vorming van nieuwe bodem, spreken we van versnelde erosie. De belangrijkste oorzaken van versnelde erosie in de Alpen zijn cultivering van de grond en ontwikkeling van het toerisme. De bergen zijn zeer aantrekkelijk om de vakantie in door te brengen, zodat veel bergachtige gebieden beschikbaar zijn gesteld ten behoeve van het toerisme. Er zijn goede wegen aangelegd, er kwamen voldoende parkeergelegenheden en hotels, chalets en kampeerterreinen openden hun poorten. Bovendien bouwde men allerlei voorzieningen voor winter gasten, zoals skipistes, skischolen, verhuurbedrijven en sleep en cabineliften. Vooral aan het wintertoerisme zijn veel nadelen verbonden. Om skipistes te bouwen, zijn veel bomen gekapt, waarvan de wortels de bodem vasthielden. Omdat gekapte bomen geen sneeuw meer kunnen vasthouden, is er een toename van lawines. Door de aanwezigheid van grote aantallen toeristen is bovendien een aantal diersoorten hun leefgebied kwijtgeraakt.

Lawines

Droge of stuiflawines komen in de Alpen vooral in de winter voor, in het bijzonder tijdens en na zware sneeuwval. Vers gevallen, fijne, droge sneeuw schuift plotseling met grote snelheid (200 tot 300 km per uur) als een dikke wolk over de bevroren ondergrond langs de steile helling omlaag. Een gering geluid, zelfs een schreeuw, kan zo'n sneeuwmassa in beweging zetten. Men mag daarom in zulke omstandigheden door gidsen gebaande paden niet verlaten en niet skiën. Elk jaar richten plotseling optredende lawines schade aan en vallen er slachtoffers. Natte of grondlawines komen vooral in het voorjaar voor, wanneer de sneeuw onder invloed van stijgende temperaturen of regenval gaat smelten. De sneeuw verliest het verband met de ondergrond en gaat plotseling schuiven. De sneeuwmassa wordt in dergelijke omstandigheden al schuivende over de ondergrond groter en stort zich omlaag. Dergelijke lawines hebben vaak vaste banen, de la winebanen, waarvan er in Zwitserland duizenden voorkomen. Lawinehekken, betonnen overkappingen, terrassen en muren met een splijthoek voor woningen moeten enige bescherming bieden. De natte of grondlawines bewegen in het algemeen langzamer dan de droge of stuiflawines, maar door de grote massa 's de schade vaak groter. Ook een plotseling optredende föhn wind kan voor snel stijgende temperaturen zorgen en dus verantwoordelijk zijn voor een grondlawine.

Gletsjers

Gedurende de ijstijden (glaciale perioden) waren de Alpen met ijs en gletsjers overdekt. De laatste ijstijd dateert van zo'n 20.000 jaar geleden. Nu liggen er nog ongeveer duizend grotere en kleinere gletsjers in Zwitserland, waarvan de grootste, de 23,6 km lange en 1000 m diepe Grote Aletschgletsjer, als een brede en machtige 'autobaan' de zuidelijke kant van de Berner Alpen afsluit. Hoe hoger in de bergen, hoe kouder het wordt. De temperatuur daalt bij elke 100 m een halve graad, zodat er uiteindelijk een gebied is waar het altijd vriest en waar het vaak sneeuwt. Dit gebied boven de sneeuwgrens ligt in de Alpen op ongeveer 2800 m. Eeuwige sneeuw wil niet zeggen dat er altijd dezelfde sneeuw ligt. Aan de onderzijde van het gebied verdwijnt sneeuw in de vorm van lawines en smelt het langzaam af in de vorm van gletsjers.

Een gletsjer ontstaat uit sneeuw, maar bestaat niet uitsluitend uit sneeuw; ook stenen en gruis maken er deel van uit. De sneeuw blijft in kommen liggen tussen de bergen en kan honderden meters dik worden. De sneeuwlagen stapelen zich op elkaar en de lucht tussen de sneeuwvlokken wordt weggeperst. De onderste lagen worden samengedrukt tot een grofkorrelige massa, de firn, een tussenstadium tussen sneeuw en ijs. Als de druk nog groter wordt, verandert de firn in ijs. Een gletsjer bestaat dus uit sneeuw (witte kleur), firn (melkwitte kleur) en ijs (blauwgroene kleur). Wanneer de firn en ijsmassa te groot en te zwaar wordt, wordt deze uit het firn bekken naar het dal weggedrukt en begint te stromen.

De gletsjer stroomt langzaam naar beneden, in de Alpen gemiddeld ruim 50 m per jaar ofwel 15 cm per dag. De sneeuwvlok, zo heeft men ter verduidelijking uitgerekend, die in het jaar 1525 op de top van de Jungfrau viel, is pas in de jaren twintig van de 21ste eeuw aan afsmelten toe. Een vliegtuig dat in de eerste jaren van de luchtvaart op een gletsjer neerstortte en in de sneeuw verdween, kwam pas in de jaren tachtig weer te voorschijn.

Naarmate de gletsjer lager komt, stijgt de temperatuur van de omgeving. In zijn algemeenheid kun je stellen dat er op het deel van een gletsjer dat zich boven de sneeuwgrens bevindt meer sneeuw valt dan er wegsmelt of verdampt: het overschot wordt door de gletsjerstroming weggevoerd. Onder de sneeuwgrens gebeurt het tegenovergestelde: er verdampt en smelt meer ijs dan dat er sneeuw valt. Het eindpunt van een gletsjer in de vorm van een gletsjertong kan op verschillende hoogten liggen. De laagst gelegen gletsjer is de Onderste Grindelwaldgletsjer, die op 1080 m hoogte begint af te smelten.

Een gletsjer eindigt in een ijsmuur van enkele meters hoogte, waarin zich de gletsjerpoort bevindt, een gewelfvormi ge opening, waaruit het smeltwater stroomt, het begin van een rivier. Het puinmateriaal dat men voor, op of langs een gletsjer ziet liggen, wordt morenen genoemd.

Er zijn drie soorten morenen: eindmorenen, die in de vorm van heuvels voor de gletsjertongen liggen, opgebouwd uit het puinmateriaal dat door een gletsjer vooruitgeschoven wordt en het gesteentepuin dat bij het eindpunt van een gletsjer afsmelt; zijmorenen, het gesteentepuin dat op de randen van een gletsjer ligt en daarop is terechtgekomen door het omlaagrollen van stenen, gruis en rotsblokken van de aangrenzende bergwanden; middenmorenen, op plaatsen waar gletsjers uit naburige dalen samenvloeien voegen de zijmorenen zich aaneen tot middenmorenen die als een lang lint van puinmateriaal midden op een gletsjer liggen.

Er zijn in de Alpen twee soorten gletsjers: de dalgletsjers en de cirque ofwel kaargletsjers. Dalgletsjers zijn gletsjers die door een dal stromen en gevoed worden door kleinere, hoger gelegen gletsjers; deze kleine gletsjers liggen in firnbekkens en noemt men kaargletsjers.

Aan de uvorm van veel dalen zie je dat de gletsjers zich tijdens de ijstijden veel verder verspreid hebben. Als een gletsjer zich door een dal wringt, dan schuurt hij langs de hellingen van het dal; zo ontstaat de kenmerkende uvorm. Valleien die door rivieren zijn gevormd hebben een vvorm. Uiteraard zijn er nog tal van andere tekens die erop wijzen dat er ooit een gletsjer stroomde, de twee bekendste zijn: gletsjerkrassen in de rotswanden en afzetting van morenenmateriaal.

Ijsval

Op plaatsen waar een gletsjer over een steile trede in de dalbodem omlaag schuift, ontstaat een zogeheten ijsval; hier glijden schollen ijs omlaag. Ijsvallen zijn tevens herkenbaar aan de grote spleten en de vaak zeer puntige ijstorens (séracs) die in allerlei richtingen omhoogsteken.

Het is dan ook heel gevaarlijk zich zonder een ter plaatse bekende gids op een gletsjer te begeven. Het gletsjeroppervlak zit vol met allerlei soorten spleten en geulen. Een gletsjer stroomt over een oneffen bodem, met als gevolg dat de samenhang in het ijs verbroken wordt en er spleten ontstaan. Bovendien stroomt het ijs in het midden van een gletsjer sneller dan aan de randen. Veel van deze spleten worden door sneeuwbruggen aan het oog onttrokken, met alle risico's vandien: een val in een gletsjerspleet is vaak dodelijk!

Een bezoek aan de uitgehakte grotten in het ijs langs de Furkapas ten noorden van Gletsch in Wallis geeft enig inzicht in het verschijnsel van een gletsjer. De 'gletsjer tuin' in Luzern en de krassen op de gladgeschuurde rotswanden van het dal bij Grin delwald verduidelijken eveneens het inzicht in dit bijzondere fenomeen.

De grootste gletsjers van Zwitserland:

Naam Oppervlakte Lengte
Grote Aletschgletsjer (Wallis) 117,6 km2 23,6 km
Gornergletsjer (Wallis) 63,7 km2 14,5 km
Fieschergletsjer (Wallis) 39 km2 14,7 km
Unteraargletsjer (Berner Oberland) 35.5 km2 13,9 km
Onderste Grindelwaldgletsjer 27,1 km2 9.4 km
(Berner Oberland)
Corbassièregletsjer (Wallis) 22,7 km2 10,9 km
Oberaletschgletsjer (Wallis) 22,6 km2 10,4 km
Otemmagletsjer (Wallis) 21,8 km2 10,3 km
Rhönegletsjer (Wallis) 20,9 km2 9,1 km

Mineralen en bergkristallen

Al eeuwenlang worden er in de Zwitserse Alpen kwarts of bergkristallen en edelmetaal gevonden. De fraai gevormde bergkristallen werden verzameld door koningen, kerken en kloosters; ze vulden de schatkisten van sultans en radja's en ze sierden de kronen en tronen van keizers en koningen. In de 17de eeuw werd het zoeken naar kristallen, het strahlern in de Zwitserse Alpen, met name in het gebied rond Gotthard en Grimsel, een echt beroep. Tegenwoordig is het zoeken naar kristallen en edelmetalen in de Alpen geen winstgevende bezigheid meer.

De halfedelstenen en edelmetalen ontstonden in het gebergte tijdens een periode met veel vulkanische activiteit. Hun oorsprong ligt deels in een zogenoemde stollende magmahaard en deels in het proces van plooiing van de Alpen. Toen het omhoogkomende magma stolde (granietvorming), ontstonden er scheuren in het rondom liggende gesteente. Bovendien vormden zich in het stollende magma holten. Gelijksoortige kleine, holle ruimten ontstonden toen, tijdens de vorming van het gebergte, de gesteentelagen plooiden en het gesteen teverband werd verwoest. In deze scheuren en holten drongen gassen en gloeiend heet water binnen, die, toen ze afkoelden, uitkristalliseerden (zij kregen een vaste vorm) in de scheur of holte. In de Alpen kristalliseerden op deze wijze allerlei ertsen en halfedelstenen uit. Het soort steen of metaal is afhankelijk van de chemische samenstelling van het gas of het gloeiend hete water tijdens het uitkristalliseren. Men noemt deze metalen en stenen edel omdat ze niet oxideren (roesten) of anderszins veranderen (ze gaan moeilijk een chemische verbinding aan).

Mineralen en kristallen treft u in Zwitserland vooral aan in de volgende plaatsen en gebieden:

Graubünden: Disentis (1200 m, ook goudwassen); Sedrun aan de Oberalpas (1450 m).

CentraalZwitserland: Amsteg in het Maderanerdal (522 m); Andermatt (1484 m); Guttannen bij de Grimselpas (1060 m); goudwassen in het dal van de Napf bij Bramboden (1050 m).

Wallis: Binntal (1389 m); Fiesch (1070 m); Blatten in het Lötschendal (1450 m). Ticino/CentraalZwitserland: Airolo/Gotthard (1142 m/ 2109111).

Meren

De gletsjers zijn het brongebied van rivieren zoals Rijn, Rhóne, Aare, Thur, Ti cino, Poschiavino, Mera en Inn, die een gezamenlijke lengte van 42.000 km hebben. Op meer dan duizend plaatsen stort het rivierwater omlaag in de vorm van watervallen. De uitschurende werking van de gletsjers heeft geleid tot de vorming van ongeveer 1600 natuurlijke meren. Deze meren hebben nu niet alleen een belangrijke toeristische betekenis, maar zijn ook van groot belang voor de economie en het milieu. De meren verwarmen het koude rivierwater en voorkomen overstromingen doordat ze het water kunnen opvangen dat de rivieren aanvoeren bij het smelten van de sneeuw en bij grote regenval. Ze brengen ook de onstuimig omlaag stromende rivieren tot kalmte. Het rivierwater wordt gereinigd doordat het zand, slib, grind en de keien op de bodem van het meer bezinken. De meren worden daardoor kleiner en ondieper. Het Bodenmeer strekte zich vroeger 5° km zuidelijker uit dan nu; het Meer van Genève reikte eens tot Martigny. De Reuss zorgde door puin aan te voeren voor de vorming van een delta vanaf Amsteg in het Vierwoudstrekenmeer; de Engelberger Aa verbond de berg Burgenstock met de oever. De Lütschine bouwde een delta op in het midden van een meer en deed daardoor twee meren ontstaan: de Thuner en de Brienzersee. Op de delta ontstond de stad Interlaken. De beschuttende werking van de bergen zorgt ervoor dat de door het wateroppervlak teruggekaatste zonnestralen ten goede komen aan de onmiddellijke omgeving van het meer. Het gebied rond de zuidelijke alpenmeren van Lugano en Locarno dankt onder andere hieraan zijn milde klimaat.

Grootste meren van Zwitserland:

Naam Oppervlakte Hoogte
Meer van Genève 582,4 km2 372H1
Bodenmeer 539 km2 539 m
Meer van Neuchâtel 217,9 km2 429 m
Lago Maggiore 212,3 km2 197 m
(laagste punt Zwitserland)
Vierwoudstrekenmeer 113,8 km2 434 m
Zürichmeer 88,4 km2 406 m
Meer van Lugano 48,8 km2 270 m
Thunermeer 48,4 km2 558 m
Bielermeer 40 km2 429 m
Brienzermeer 29,8 km2 564 m
Walenmeer 24,1 km2 419 m

Stuwdammen

In het bergachtige Zwitserland zijn veel stuwdammen gebouwd, waarachter stuwmeren ontstonden: de machtige Grand Dixence in Wallis is de hoogste stuwdam ter wereld. Dergelijke stuwdammen reguleren de waterafvoer van de snelstromende rivieren, wekken elektriciteit op en voorzien huishoudens en industrie van water. Ook worden de stuwmeren gebruikt voor het kweken

van vis en voor recreatieve doeleinden. Problematisch is dat veel water in de meren verdampt; minder waterafvoer betekent dat er minder energie geleverd kan worden. Bovendien worden veel stuwmeren steeds ondieper. De rivieren komen voornamelijk voor de dam in het stuwmeer tot rust, waardoor het meegevoerde materiaal in het stuwmeer bezinkt. Zo'n proces heet agradatie.