Plantenwereld

Edelweiss staat synoniem voor het plantenleven in de Alpen
Edelweiss staat synoniem voor het plantenleven in de Alpen, ©Switzerland Tourism-Christof Sonderegger

De grote variatie in hoogte en klimaat staat garant voor een rijke verscheidenheid aan bomen, planten en bloemen. In het zuiden rond het Lago di Lugano is het klimaat bijna subtropisch, terwijl op de toppen van de bergen eeuwige sneeuw ligt. Een opvallend verschijnsel is het voorkomen van een boomgrens, die afhankelijk van het microklimaat ter plekke, begint tussen de 1800 en 2800 m: op de door de zon verwarmde zuidhellingen ligt de boomgrens wat hoger dan op de schaduwrijke noordhellingen. Daarboven is geen begroeiing, behalve struiken en mossen.

De Zwitserse berghellingen zijn bedekt met uitgestrekte bossen; zij hebben de afgelopen jaren veel te lijden gehad van de aanleg van autowegen, skipistes en zure regen.

In de lager gelegen gebieden van MiddenZwitserland en de Jura komen gemengde loofbossen voor. In de hogere Alpen groeien vooral dennen, sparren (zilversparren), lariksen en pijnbomen, terwijl aan de zuidkant van het hooggebergte veel edelkastanjes voorkomen. In Ticino groeien cipressen, palmen en magnolia's (een boom met tulpvormige bloemen). In Wallis en enkele dalen van Graubünden groeien tot op een hoogte van 1700 m graangewassen. In de bergen komt een groot aantal verschillende bloemen voor, die vooral in voorjaar en zomer de alpenweiden een kleurig aanzien geven. In de hogere gebieden zijn typische alpenbloemen de gentiaan, de voorjaarskrokus, de anemoon, saxifragen en alpenrozen (rododendrons). Sommige planten, zoals de edelweiss, ereprijs, alpenakelei en vuurlelie, zijn door de openlegging van de Alpen zeldzamer geworden.

Het verschil in begroeiing op de berghellingen wordt veroorzaakt door het verschil in temperatuur. Akkers en weiden reiken tot ongeveer 800 m hoogte. Daarboven groeien loofbomen, eiken en beuken, die enige honderden meters hoger worden gevolgd door naaldbomen. Een veel voorkomende naaldboom is de lariks, die in de winter zijn naalden verliest. De bomen worden kleiner en schraler naarmate de hoogte toeneemt. Boven de boomgrens (ca. 1800 m) begint het gebied van de matten of alpenweiden. Ze zijn gedurende de winter met sneeuw bedekt, maar in het voorjaar ontluiken er in deze bodem verschillende soorten alpenbloemen in allerlei kleuren. Boven ca. 2200 m groeit geen gras meer; alleen mos en vetplant jes komen nog op rotsen en verweerde stenen voor. Alpenmarmotten hebben er hun woonplaats, steenarenden zweven er door de lucht en gemzen springen er van rots naar rots. Boven de 2800 m begint het gebied van de eeuwige sneeuw.

Alpenbloemen zoals edelweiss, gentiaan, ereprijs, vuurlelie en alpenakelei mogen onder geen beding geplukt of vertrapt worden. Blijf dus tijdens uw wandelingen op het pad en laat geen picknickafval achter.

Schade door het toerisme

De ongebreidelde groei van de wintersport heeft gedurende de laatste dertig jaar tot landschapsverarming en versnelde erosie geleid. Met name de hellingen hebben te lijden van de aanleg van skipistes. Het intensief gebruik van de pistes leidt ertoe dat de hellende bodem zijn vegetatie kwijt raakt. Zolang de vegetatie op de piste niet hersteld is, of weer beschadigd wordt door skiën bij slechte sneeuwomstandigheden, treedt er versnelde erosie op. Het bestaan van de alpenweiden komt daarmee in gevaar. De laatste jaren neemt de oppositie toe tegen de aanleg van meer pistes die ook door de bouw van cabineliften en sleepliften reeds grote schade aan het alpenmilieu hebben toegebracht. Erosie veroorzaakt door toerisme in de zomer, zoals bergwandelen en bergbeklimmen, is kleinschaliger. Toch zijn het dezelfde processen die de versnelde erosie veroorzaken. Het kleinschalige karakter van bodemerosie door zomertoerisme heeft een voordeel: de bergsporter heeft de mogelijkheid er zelf iets aan te doen. Het mag duidelijk zijn dat planten een sleutelrol spelen bij bodemerosie: hou hier rekening mee als je een weg zoekt door het alpiene landschap!

Naast de 'gewone' problemen rond het wegverkeer (met name geluidsoverlast en luchtverontreiniging) spelen er in de Alpen nog andere problemen. Een voorbeeld is het ruimtegebrek. In de Alpen is de ruimte die gebruikt kan worden voor woondoeleinden, akkerbouw, industrie en verkeerswegen beperkt. Om de grote toestroom van toeristen in de zomer en winter te kunnen verwerken worden er extra wegen en parkeerplaatsen aangelegd. Soms is het gebrek aan ruimte zo groot dat andere activiteiten, zoals wonen en akkerbouw, op minder gunstige en soms lawine gevaarlijke locaties plaats vindt.

Ongeveer 2 miljoen Nederlanders bezoeken jaarlijks de Alpen, reden om ook vanuit Nederland verantwoordelijkheid te nemen voor het behoud van het Alpenlandschap. Daartoe is op initiatief van de NMGA (de Nederlandse Milieugroep Alpen) het Nederlands Alpenplatform opgericht. Dit is een projectorganisatie waarin naast de NMGA ook de ANWB, de NKBV en de Nederlandse Ski Vereniging (NskiV) participeren. Doel van het NAP is het duurzaam en bewust gebruik van de Alpen te bevorderen.