Schilder en beeldhouwkunst

Kunsthaus in Zürich, met schilderijen, sculpturen en afbeeldingen, voornamelijk uit de 19e en 20e eeuw
Kunsthaus in Zürich, met schilderijen, sculpturen en afbeeldingen, voornamelijk uit de 19e en 20e eeuw, ©Switzerland Tourism-Christoph Schuerpf

Romeinse tijd

Ook in de Zwitserse schilder en beeldhouwkunst is een mengelmoes van richtingen en stijlen uit alle delen van Europa te zien. Uit de tijd van het Romeinse keizerrijk stammen enkele steden en landhuizen; in de gebouwen zijn nog delen van muren bedekt met fresco's in de schilderstijl van Rome en Pompeji. In Graubünden kunt u kostbare schilderingen bewonderen. Een fraai voorbeeld van Romeinse schilderkunst in Graubünden is het houten plafond van de St. Martinkerk in Zillis, ooit gelegen aan een belangrijke pas weg. Het houten plafond is verdeeld in 153 vlakken, ieder bijna een vierkante meter groot, met in ieder vlak een schildering; 107 afbeeldingen hebben betrekking op het leven van Jezus van Nazareth, 48 vlakken zijn gevuld met afbeeldingen van monsters.

Middeleeuwen

In het klooster van St. Johann hangen Karolingische fresco's uit ca. 800; zij behoren tot de oudste van Europa en zijn kunsthistorisch van grote betekenis. In de 15de eeuw schilderde Konrad Witz (14001447) voor het eerst een Zwitsers landschap als achtergrond voor een afbeelding van de wonderbaarlijke visvangst; hij plaatste deze gebeurtenis in het Meer van Genève. Zoals overal in het toenmalige Europa hadden alle schilderingen een religieus motief. Hans Holbein de Jongere (14971543) liet zich niet door één motief leiden; hij schilderde landschappen en treffende portretten en bekwaamde zich in het houtsnijden. Deze kunstenaar schilderde veel in Basel, maar verhuisde tijdens de Reformatie naar het hof van de Engelse koning Hendrik VIII.

18de en 19de eeuw

In de 18de eeuw bereikte in Zwitserland de schilderkunst in het algemeen en het schilderen van portretten in het bijzonder een hoogtepunt. De portretten in pastelkleuren van JeanEtienne Liotard (17021789) uit Genève en de portretten van Anton Graff (17361813) uit Winter thur krijgen nog steeds veel aandacht in de Zwitserse musea.

Ook in de negentiende eeuw waren veel Zwitserse schilders op zoek naar ruimte en nieuwe horizonten. Vandaar dat velen het voorbeeld van Hans Holbein volgden en op reis gingen. Johan Heinrich Füssli reisde in het midden van de 18de eeuw vanuit Zürich naar Londen. Frank Buchser (18281890) uit Solothurn trok tijdens de Amerikaanse burgeroorlog door Amerika (18611864) en bezocht vervolgens Spanje en Marokko. Evenzo verliet zijn tijdgenoot Albert Anker (18311910) huis en haard op zoek naar nieuwe verten.

Aan het einde van de 19de eeuw kwam, net als in de rest van Europa, het natuurgetrouw schilderen van landschappen steeds meer op de voorgrond te staan. Vooral de fraaie bergschilderingen van de i9deeeuwse kunstenaar Ferdinand Hodler uit Bern zijn in de gehele wereld bekend geworden. Hij vond een soort synthese tussen de gangbare Duitse en Franse stijlen; in het geval van Hodler spreekt men dan ook van een eigen Zwitserse stijl.

In het werk van Arnold Böcklin (18271901) speelde de Griekse oudheid een voorname rol; overal in zijn werk spelen nimfen, watergeesten, mythische halfgoden en centauren een hoofdrol.

20ste eeuw

Kenmerkend voor de periode rond 1910 en de tijd tussen de twee wereldoorlogen is dat kunstenaars op zoek zijn naar nieuwe waarden, van nostalgie tot utopie. Velen van hen trokken zich terug op het platteland in zogenoemde kunstenaarskoloniën. Bekend is de kunstenaarskolonie in het boerendorp Osch wand in het Berner land; zij verdienden hun geld met de verkoop van kunst en de appelteelt. De appel was voor hen het symbool van leven, schepping en vernietiging; tevens was de appel in de bijbelse zienswijze het zinnebeeld van de verleiding.

De bekendste kunstenaar uit deze kolonie was Cuno Amlet. Hij was echter niet onder een gunstig gesternte geboren: in 1931 verbrandden vijftig van zijn belangrijkste werken tijdens een tentoonstelling in München en in 1933 werd zijn werk door de nationaalsocialisten uit de musea verwijderd, volgens hen was het entartete kunst.

Dada

Sophie TaeuberArp (18891943) liet zich wel door het werk van de kunstenaarsgroep Dada inspireren; zij werd een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de abstracte kunst. Haar man Hans Arp was in februari 1916 in Zürich een van de oprichters van de Dadabe weging, samen met onder meer de kunstenaars Ball, Hülsenbeck, Janco en Tza ra. Deze avantgardistische beweging van jonge vooruitstrevende kunstenaars zette zich af tegen het zelfbedrog van de heersende klasse. Het woord 'dada' heeft geen inhoudelijke betekenis, maar is gekozen omdat het makkelijk uit te spreken is.

Beeldhouwers

Van de generatie beeldhouwers die in de 20ste eeuw in het voetlicht traden, springen de beeldhouwwerken van Zoltan Kemény en Alberto Giacometti het meest in het oog. De apparaten van Bernhard Luginbühl uit Bern en de machines van Jean Tinguely uit Fribourg zijn even bekend geworden als de koppen en figuren van Alberto Giacometti. Jean Tinguely's apparaten zijn gemaakt van industrieel afval en bewegen door middel van elektromotoren. 'Waarom moeten de elementen in een kunstwerk eigenlijk tot in de eeuwigheid een vaste plaats innemen', vroeg hij zich af. Volgens deze kunstenaar willen zijn machines 'in hun zinloze bewegingen niets meer voorstellen dan zichzelf'.

De `wilde’ schilder Paul Klee (18791940)

Paul Klee werd op 18 december 1879 in het gehucht Münchenbuchsee in de omgeving van Bern geboren als de zoon van een zangeres en een muziekleraar. Hoewel hij een begenadigd violist was, begon hij op 21jarige leeftijd zijn loopbaan als schilder. Na enkele studiereizen naar onder meer Rome en Parijs kwam hij onder de invloed van de symbolist Franz von Stuck. In Italië maakte de vroegchristelijke en byzantijnse kunst veel indruk op hem. Maar hij had ook veel bewondering voor het werk van Goya en Ensor. In 1906 trad hij in het huwelijk met de pianiste Lili Stumpf. Hij werd al snel lid van de Moderne Bund die in 1912 een tentoonstelling verzorgde in het Kunsthaus in Zürich. Het werk van Klee stond hier tentoongesteld in gezelschap van werk van Delaunay, Kandinsky, Mare en Gabriele Munter. De gevestigde orde was geschokt door het werk van deze 'wilden'. In 1925 nam hij samen met Joan Miró en Max Ernst deel aan de groepstentoonstelling 'peinture surréaliste'. Dit was hem blijkbaar goed bevallen, want een jaar later richtte hij met Kandinsky, Lyonel Feininger en Jawlens ky de kunstbeweging de 'Blauen Vier' op.

In 1931 begon Klee (18791940) les te geven aan de Academie van Düssel dorf. Het duurde niet lang, want toen de nazi's aan de macht kwamen, werd hij Duitsland uitgezet; men beschouwde zijn werk als entartete Kunst 102 van zijn schilderijen werden uit de Duitse musea verwijderd. Vandaar dat hij in 1933 terugkeerde naar zijn geboorteland Zwitserland. Klee is moeilijk in één stijl te vatten. Primitieve kunst, surrealisme, kubisme, mythologische thema's, je vindt het allemaal terug in zijn werk dat humoristisch is en vol verwijzingen zit naar dromen, muziek en poëzie. Zijn werk vond men in de jaren twintig en dertig eigenlijk kinderlijk, dit was een van de redenen dat Paul werd afgewezen als leraar aan de kunstacademie van Stuttgart. De kinderlijke uitdrukking van zijn werk gebruikte hij als kritiek op de conventie. In wezen was het hem echter meer te doen om de vereenvoudiging van de taal door middel van tekens. Enige jaren later werd zijn werk alsnog erkend als baanbrekend en groeide hij uit tot een van de belangrijkste kunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Dat blijkt ook uit de grote invloed die Klee heeft gehad op andere kunstenaars in de jaren vijftig waaronder de Cobrakunstenaars. Iemand die het belang van Paul Klee als kunstenaar en denker al heel vroeg onderkende was Wassily Kandinsky die in zijn boek Ober das geistige in der Kunst (1912) herhaaldelijk aan opvattingen van Klee refereert. Uiteindelijk werden ze samen docent schilderkunst aan het Bauhaus in Weimar. Op 29 juni 1940 overleed Paul Klee in het dorp Muralto in Ticino. De schilderijen en grafische voorstellingen van Paul Klee hangen in de belangrijkste Zwitserse musea. In Nederland is Paul Klee nauwelijks verzameld of tentoongesteld. Alleen het Museum Boijmans Van Beuningen heeft twee werken van Klee in de collectie.