Reizen vanuit Ushuaia (Argentinië)

Swipe

De klassieke route

Het Antarctisch Schiereiland ligt ‘slechts’ circa 1000 km ten zuiden van Zuid-Amerika. Het is daarmee het makkelijkst bereikbare deel van Antarctica. Niet alleen op het schiereiland, maar ook op de eilanden die voor de kust liggen, zijn verschillende plaatsen die interessant zijn om te bezoeken.

De reis die door de meeste organisaties aangeboden wordt, is de klassieke route. Een reis waarbij u in tien of elf dagen vanuit Ushuaia de Drake Passage oversteekt, enkele van de South Shetlandeilanden en het Antarctische Schiereiland met bijbehorende eilanden bezoekt.

Tijdens deze reis kan er mogelijk ook een bezoek worden gebracht aan een van de onderzoeksstations. Zeker zal worden getracht om een landing op het vasteland van Antarctica te maken. Tevens zal men proberen om een klein stukje de Weddellzee in te varen door de Antarctic Sound (Iceberg Alley).

De daadwerkelijk te bezoeken eilanden worden bepaald door ijsgang, weersomstandigheden en IAATO-afspraken. Er zal steeds een keuze worden gemaakt om die plaatsen te bezoeken die zoveel mogelijk te bieden hebben onder de gegeven omstandigheden.

Na de oversteek van de Drake Passage verschijnen de South Shetlandeilanden aan de horizon. Hier kunnen de volgende eilanden bezocht worden: South Shetlandeilanden.

South Sheteilanden

King George

Het eiland ligt op 62°23'Z 58°27'W (ten noorden van het Antarctisch Schiereiland) en is 25 bij 95 km. Het is door de ontdekker William Smith (1819) genoemd naar koning George III van Engeland.

Op King George zijn tien onderzoeksstations van verschillende naties gevestigd. Het eiland heeft een landingsbaan bij de Chileense basis Presidente Eduardo Frei Montalva. Tijdens een bezoek aan King George wordt soms een basis bezocht. Meestal is dat het Poolse station Arctowski of de gecombineerde Chileens/Russische basis Frei en Bellinghausen. De Poolse basis is genoemd naar Henryk Arctowski, de Poolse geoloog die deel uitmaakte van de Belgische expeditie van 1897-1899 onder leiding van Adrien de Gerlache.

Bij de basis Arctowski zijn overblijfselen uit de tijd van de walvisvaart te vinden. Er liggen harpoenen en botten van diverse walvissen. Op de rotsen zijn mooie voorbeelden van (korst)mossen en grassen te vinden. De stranden liggen vaak bezaaid met zuidelijke zeeolifanten. Er is onlangs een aantal routes in de omgeving uitgezet die bezoekers op eigen gelegenheid kunnen bewandelen. De morenen achter het station bevatten fossiele resten van de Nothofagus antarctica, een schijnbeuk die nu nog groeit op Vuurland.

Ook bij de Russische basis Bellinghausen zijn grote mosvelden met Antarctisch parelmos en Antarctische smele te vinden. Soms is er op het strand een enkele Weddellzeehond of een groepje zuidelijke zeeolifanten te zien. Later in het seizoen zijn er ook vaak grote groepen Antarctische pelsrobben te vinden. Verder broeden hier kinband- en ezelspinguïns, zuidelijke reuzenstormvogels, keizersaalscholvers, Wilsons stormvogeltjes, kelpmeeuwen, Antarctische jager (Lönnbergs grote jager), zuidpooljagers en zuidpoolsterns. 

In 2004 is hier een orthodox kerkje gebouwd. Het grijze gebouwtje torent wat onwerkelijk boven de omgeving uit.

De laatste jaren wordt er op King George de Antarctische marathon gelopen. Vanwege de strikte regelgeving zal het evenement het zeer kleinschalige karakter moeten behouden. Voor velen is dit juist een reden om een keer te willen deelnemen aan deze bijzondere marathon. 

Penguin

Niet ver van King George ligt op 62°06'Z 57°54'W het veel kleinere eiland Penguin. De vulkanische oorsprong is nog goed te zien aan de hoogste top Deacon Peak (170 m) die de perfecte kegelvorm heeft. De top is langs een eenvoudig te bewandelen pad te bereiken en van daar heeft u een schitterend uitzicht over de omgeving. Op diverse plaatsen groeien mossen en korstmossen.

Op het eiland broeden voornamelijk kinband- en Adéliepinguïns. 

Het eiland is door Bransfield tijdens de Britse expeditie van 1820 ontdekt en genoemd naar de vele pinguïns die men vanaf het schip op de stranden waarnam.

Nelson

Het eiland Nelson is slechts van King George gescheiden door de Fildesstraat. Het eiland ligt op 62°18'Z 59°03'W en is 19 bij 11 km. Waarschijnlijk hebben pelsjagers of walvisvaarders in het begin van de 19e eeuw het eiland de naam Nelson gegeven en is deze sindsdien door iedereen overgenomen.

Het merendeel van het eiland wordt bedekt door een ijskap. Slechts een veertig meter hoog plateau en enkele lagergelegen stranden komen onder het ijs vandaan. Hier broeden voornamelijk kinbandpinguïns (circa 90.000 paar) en een veel kleiner aantal ezelspinguïns (circa 3000 paar). Nesten van de zuidelijke reuzenstormvogels zijn voornamelijk op het plateau te vinden. De reuzenstormvogels zijn grote agressieve vogels. Ze laten zich echter gemakkelijk van het nest verjagen en keren er slechts moeizaam weer naar terug. In het verleden heeft dit geleid tot slechte broedresultaten. Daarom is toeristisch bezoek beperkt tot een klein gebied op de lagergelegen delen. Door deze maatregel is het aantal succesvol broedende reuzenstormvogels in de laatste jaren verdubbeld tot circa 750 paar.

Aitcho-eilanden

Deze archipel bestaat uit een hoeveelheid kleine eilanden en rotsen. Tot de archipel behoren: Barrientos, Emeline, Jorge, Cecilia, Sierra, Passage Rock en Morris Rock. De eilanden liggen rond 62°24'Z 59°47'W. De archipel ontleent zijn naam aan de Engelstalige afkorting HO (Hydrografic Office) naar het kantoor van de British Admiralty toen ze in 1936 door de Britten in kaart zijn gebracht. 

Door de vochtige en beschutte ligging, is er een overdadige begroeiing van korstmossen en mossen. Op hogergelegen delen broeden voornamelijk kinbandpinguïns, ezelspinguïns en zuidelijke reuzenstormvogels. De stranden zijn rustplaatsen van zuidelijke zeeolifanten, Weddellzeehonden en Antarctische pelsrobben.

Landingen worden meestal gemaakt op de sneeuwvrije kiezelstranden. Vooral op Barrientos zijn goede (begeleide) wandelmogelijkheden met adembenemende uitzichten. Enkele zeer dichtbegroeide delen zijn gesloten voor bezoekers.

Greenwich

De meest bezochte plaats op Greenwich is Yankee Harbour, een kleine natuurlijke haven aan de zuidwestpunt van het eiland. Robbenjagers hadden deze haven al snel ontdekt. Er zijn meldingen van jagers die dateren uit 1820. Op de landtong zijn nog enkele werktuigen uit deze tijd te vinden. Achter het strand zijn de overblijfselen van een Argentijnse hut te zien. Bij de gebruikelijke landingsplaats broeden ezelspinguïns en jagers. Op de stranden liggen vaak zuidelijke zeeolifanten, een enkele Weddellzeehond, krabbeneter of zeeluipaard. In januari en februari verblijven er over het algemeen veel Antarctische pelsrobben op de landtong.

Greenwich ligt op 62°32’S 59°47'W. Het is een 24 km lang maar smal eiland. Aan de noordoostkust liggen twee bases: Arturo Prat (Argentijns) en Pedro Vicente Maldonado (Ecuador). Bij de Argentijnse basis bevindt zich een betonnen paal uit 1947 die als ijkpunt diende bij hydrografisch onderzoek. Het is nu een monument (nummer 32) op de lijst van historische plaatsen en monumenten in Antarctica. 

Deception

Deception is een van de populairste bestemmingen van de South Shetlandeilanden. Dit vulkanische eiland is landschappelijk erg mooi en voor geologen een eldorado. Tijdens een grote uitbarsting is een deel van de wand van de centrale krater weggeslagen waardoor er een verbinding met open zee is ontstaan. Het grote kratermeer vormt nu een beschutte haven. Om echter in de krater te komen moeten schepen de nauwe doorgang (Neptune’s Bellow) van slechts 230 m door. Op zich is dat niet zo bijzonder ware het niet dat zich in het midden een rotspunt (Raven Rock) slechts 2,50 m onder het wateroppervlakte bevindt. Neem daarbij ook nog de altijd sterkte wind die door de engte waait en u begrijpt dat iedere kapitein blij is als hij zijn schip ongeschonden naar binnen of buiten heeft gebracht. 

De bekendste landingsplaats is Whalers Bay. Deze bevindt zich direct rechts achter de doorgang. In de 19e eeuw gebruikten robbenjagers deze plaats al. Later zochten ook Noorse, Chileense en Newfoundlandse fabrieksschepen de beschutting van Deception op. Op de schepen was men niet in staat om de botten, die meer dan de helft van de olie van een walvis bevatten, uit te koken. Ze werden daarom als oud vuil op de stranden achtergelaten. Dit resulteerde in 1912 uiteindelijk in de bouw van een Noorse walvisverwerkingsfabriek. De Noren noemden de plaats Ny-Sandefjord naar de plaats Sandefjord in Noorwegen waar veel walvisvaarders vandaan kwamen. In 1931 werd de fabriek gesloten. Op het brede zwarte lavastrand staan nu nog de roestige tanks waarin de walvistraan werd opgeslagen. Verder liggen er tonnen (letterlijk) in duigen en restanten van waterboten.

Het gehele gebied met overblijfselen uit de walvisvaardersperiode en de overblijfselen met betrekking tot de activiteiten van het Britse wetenschappelijk onderzoek en cartografie staat op de lijst van historische plaatsen en monumenten in Antarctica (nummer 71).

Tijdens een van de laatste vulkaanuitbarstingen in 1969 is er een grote modderstroom dwars over het ‘bewoonde’ gedeelte gespoeld. Een kerkhof uit de tijd van de walvisvaarders is daarmee volledig verdwenen onder een dikke laag modder en lavagruis. Twee jaar eerder al moesten onderzoekers van de Argentijnse, Chileense en Engelse basis geëvacueerd worden vanwege een uitbarsting. De meest recente uitbarsting dateert van 1991-1992.

Vanaf Whalers Bay is een wandeling mogelijk naar Neptune’s Window, een mooi uitzichtpunt aan de buitenzijde van de kraterrand. Het is best een aardige klim, maar bij helder weer wordt u beloond met een adembenemend uitzicht over zee en het hele eiland. Op de steile kliffen naast Neptune’s Window bevindt zich een kolonie Kaapse duiven. 

In de tweede helft van het seizoen zitten er vaak Antarctische pelsrobben op het strand. Soms ligt er een enkele Weddellzeehond of een zeeluipaard.

Een andere plaats waar aan land kan worden gegaan, is Pendulum Cove. Bij deze inham waren echte hete bronnen. Het hete opwellende water vermengd met koud zeewater leverde een prettige watertemperatuur voor een bad op. De laatste jaren echter varieert de temperatuur van de bronnen enorm. Er wordt daarom vaak gekozen om een kuil te graven in het strand bij Whalers Bay waar men dan even in het warme water kan liggen. 

Verder landinwaarts zijn de ruïnes te zien van de Chileense basis Presidente Pedro Aguirre Cerda die bij de uitbarsting van 1967 werd verwoest.

De buitenzijde van het eiland ter hoogte van de rotspilaren die voor de kust staan, heet Baily Head. Hier bevindt zich een van de grootste kinbandpinguïnkolonies van Antarctica met circa 100.000 broedparen. Door de enorme branding en deining is het echter een van de moeilijkste plaatsen op de South Shetlandeilanden om aan land te komen.

Half Moon

Half Moon is een klein eiland dat ligt in de beschutting van Livingston. De vulkanische oorsprong verraadt zich door de vele stenen pilaren die verspreid over het eiland voorkomen. Het omringende landschap is hier werkelijk adembenemend. In de baai liggen vaak gestrande ijsbergen die door water en wind tot de mooiste vormen zijn geslepen. De stranden vormen rustplaatsen voor Weddellzeehonden en Antarctische pelsrobben. Er broeden ezels- en kinbandpinguïns in kleine kolonies. Broedende zuidpoolsterns en Antarctische jagers zijn zeer nadrukkelijk aanwezig. Komt u te dicht bij hun nest, dan wordt u op niet mis te verstane wijze met duikvluchten verjaagd. Verscholen tussen de puinhellingen broeden stormvogeltjes.

Als eind december de meeste sneeuw verdwenen is, kan er een langere wandeling gemaakt worden naar bijvoorbeeld de Argentijnse zomerbasis Teniente Camara. 

Half Moon ligt op 62°36'Z 59°55'W. Het eiland is 2 km lang en heeft de vorm van een halve maan (hoefvorm). Alhoewel het eiland al sinds 1821 bekend was bij pelsjagers, kreeg het pas in 1935 de huidige naam. 

Livingston

In de 19e eeuw was Livingston een van de belangrijkste plaatsen voor de robbenjagers. In journalen uit die tijd wordt het eiland omschreven als een gebied waar de jagers de dieren voor het oprapen hadden. Vanwege de grote hoeveelheid historische overblijfselen uit deze tijd is het westelijk deel van het eiland gesloten voor toerisme.

De grote diversiteit aan broedende vogels, rustende Antarctische pelsrobben en zuidelijke zeeolifanten en de enorme oppervlakte met mossen en korstmossen, hebben dit eiland tot een grote toeristische trekpleister gemaakt. Als enige plaats op de South Shetlandeilanden en Antarctica broeden bij Hannah Point (zuidwestkust) ieder jaar enkele macaronipinguïns. Verder komen er voor ezelspinguïns, kinbandpinguïns, zuidelijke reuzenstormvogels, Wilsons stormvogeltjes, keizersaalscholvers, zuidpoolkippen, Kaapse duiven, kelpmeeuwen en Antarctische jagers. Vanwege de kwetsbaarheid van de zuidelijke stormvogels in het broedseizoen is het eiland tot eind januari gesloten voor toeristisch bezoek.

Het eiland leent zich voor lange wandelingen over de bergrug of langs de stranden. Onderweg kunnen op een aantal plaatsen fossielen gevonden worden.

Hannah Point ligt op 62° 39’S 60° 37'W. Het langgerekte eiland (73 km) heeft zeer steile kliffen aan de noordkust. Vanaf de top van de kliffen loopt de helling glooiend naar de zuidkust waar deze eindigt in kiezel- en zandstranden. Het hoogste punt is Mount Friesland (1.700 m) De naam Hannah Point komt van een robbenschip, de Hannah, dat hier in 1820 vergaan is.

Trinity Schiereiland

De noordelijkste punt van het Antarctisch Schiereiland is het Trinity Schiereiland. Hier is een aantal plaatsen waar landingen gemaakt kunnen worden. Het geeft u de mogelijkheid om voet op het continent Antarctica te zetten. Bekende plaatsen zijn onder andere:

Brown Bluff

De kustlijn wordt hier gevormd door immens steile, roestbruine hellingen van 745 m hoge tafelbergen die het landschap domineren. Er is duidelijk te zien dat de hellingen overblijfselen zijn van oude vulkanen. Het gesteente bestaat uit tufsteen en overal liggen basaltbommen. De verweerde bommen vormen een goede ondergrond voor kleurrijke korstmossen en levermossen. Op nattere gedeelten komen dikke moskussens voor.

Er broeden Adélie- en ezelspinguïns en tevens sneeuwstormvogels.

Brown Bluff is circa 3 km lang en ligt op 63°32'Z 56°55'W.

Hope Bay (Esperanza)

Om Hope Bay (62°23'Z 57°00'W) te bereiken wordt de Antarctic Sound ingevaren, die de bijnaam Iceberg Alley draagt. Door deze engte die de Bransfield Straat met de Weddellzee verbindt, drijven dagelijks enorme (tafel)ijsbergen de Weddellzee uit. 

De beschutte baai was ontdekt door Nordenskiöld tijdens zijn expeditie van 1901-1904. Drie van de mannen van de expeditie (Andersson, Duse en Grunden) hebben hier overwinterd, tot ze tot de conclusie kwamen dat het geplande schip hen niet kwam ophalen. Ze hebben toen een tweede poging ondernomen om over land Snow Hill in de Weddellzee te bereiken. Bij toeval werden de drie mannen ontdekt door de ploeg die op Snow Hill was achtergebleven. De overblijfselen van de overwinteringshut staan nu op de lijst van historische plaatsen en monumenten in Antarctica (nummer 39). Er is tevens een verlaten hut van de British Antarctic Survey, Trinity House. De hut stamt uit de Tweede Wereldoorlog waarin deze gebruikt werd als onderdeel van Operation Tabarin 1944-1945. Later is de hut gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek (1952 tot 1964).

Bij de baai is een van de grootste bases gebouwd, het Argentijnse Esperanza. Deze basis wordt bewoond door complete families. Er is zelfs een school voor de kinderen die hier jaarrond leven. De basis is zeker niet in de laatste plaats gebouwd om de claim van Argentinië op dit deel van Antarctica te bevestigen. Men ging zelfs zover dat er zwangere vrouwen werden ingevlogen om op Antarctica te bevallen. Zo werd op 07 januari 1978 Emilio Marcos de Palma als eerste op Antarctica geboren. 

Er broeden 200.000 paar Adéliepinguïns. De kolonie is echter slecht te bereiken, omdat het merendeel van het gebied afgesloten is voor toeristisch bezoek. 

Weddelzee

Als weer- en ijscondities goed zijn en er voldoende tijd is, dan kan er een kort bezoek aan een van de eilanden in het noordelijk deel van de Weddellzee gepland worden. De meest bezochte eilanden hier zijn Paulet en Devil. 

Paulet

Paulet (63°35Z 55°47'W) is voornamelijk bekend geworden door de overwintering van enkele mannen van de Zweedse expeditie onder leiding van Nordenskiöld. De mannen bouwden met voorhanden zijnde materialen zoals stenen en dierenhuiden een verblijf waarin ze de winter van 1903 overleefden. Vele jaren eerder was het eiland ontdekt door de Ross British expeditie 1839-1843. Zij noemde het naar een kapitein van de Royal Navy, Lord George Paulet. De bijna ronde vorm (ongeveer 1 km in doorsnee) van Paulet verraadt de vulkanische oorsprong. Achter de overblijfselen van de overwinteringshut van de Nordenskiöldexpeditie ligt een kratermeer.

Er broeden circa 100.000 paar Adéliepinguïns. Tevens broeden er keizersaalscholvers, zuidpoolkippen en Antarctische jagers. In de hogere delen van de puinhellingen broeden Wilsons stormvogeltjes en sneeuwstormvogels. Op de stranden en vlakke ijsbergen rusten vaak Weddellzeehonden. Met enige regelmaat patrouilleren Zeeluipaarden voor de kust.

Op uitstekende rotsen groeien felgekleurde korstmossen zoals rood dooiermos. Op plaatsen waar zich vocht ophoopt, zijn dikke moskussens te vinden.

Devil

Iets zuidelijker de Weddellzee in (63°48'Z 57°17'W) ligt het 1,5 km lange eiland Devil. Nordenskiöld ontdekte het eiland in 1903. De twee grote pieken op het eiland doen denken aan de horens van de duivel. 

Het eiland wordt bewoond door 20.000 Adéliepinguïns. Bij kolonies van deze omvang kan het niet anders zijn dan dat er een redelijk aantal Antarctische jagers op hetzelfde eiland broeden.

Er kan een wandeling gemaakt worden naar de top van het eiland. Het uitzicht op de omgeving is fantastisch, vooral het uitzicht op Vega, een eiland met loodrechte kliffen. De rand van de klif is doorkliefd met tientallen watervallen. 

Antarctisch Schiereiland

Daarna verlaten de schepen de Weddellzee weer via de Antarctic Sound en gaan in zuidelijke richting langs het Antarctisch Schiereiland. Hier kunnen diverse eilanden en plaatsen op het schiereiland bezocht worden. Dit kunnen onder andere zijn:

Cuverville

Na het smelten van de sneeuw eind november, begin december wordt Cuverville een van de groenste eilanden bij het Antarctisch Schiereiland. Het eiland bestaat uit een klif met een lager plateau een enkele meter boven zeeniveau. Het beschutte deel van het klif is bedekt met dikke moskussens waartussen Antarctisch parelmos en Antarctische smele zich genesteld hebben. Uitstekende rotspunten zijn bedekt met korstmossen, zoals xanthoria, mossen zoals sagina, usnea en levermossen.

Er is een grote ezelspinguïnkolonie (circa 5000 paar). Er broeden tevens reuzenstormvogels, kelpmeeuwen, zuidpoolsterns, zuidpoolkippen, Antarctische jagers, keizersaalscholvers en Wilsons stormvogeltjes. 

Begin februari trekken vaak Antarctische pelsrobben in zuidelijke richting langs het schiereiland. Het strand van Cuverville is dan een van de favoriete rustplaatsen. Soms ligt er een enkele Weddellzeehond tussen de verzameling walvisbotten en –wervels. Krabbeneters en zeeluipaarden zoeken liever ijsschotsen op om op te rusten. 

Vanaf het eiland is er uitzicht op een baai met gestrande ijsbergen en het Errerakanaal.

Het eiland is ook bij onderzoekers favoriet. Zelfs een Nederlandse delegatie heeft hier een zomer doorgebracht en onderzoek gedaan naar onder andere de invloed van toerisme op de begroeiing.

Het eiland ligt op 64°41'Z, 62°38'W. Het is ontdekt door de Belgische expeditie onder leiding van Adrien de Gerlache (1897-1899) en genoemd naar J.M.A. Cavalier de Cuverville, een vice-admiraal in het Franse leger.

Rongé

Achter Cuverville ligt het grotere eiland Rongé (64°40''Z, 62°40'W). Ook dit eiland is ontdekt door de Belgische expeditie. De Gerlache noemde het naar madame de Rongé, een van de geldschieters van de expeditie.

Het eiland heeft een breed kiezelstrand met daarachter hoge kliffen. Er broeden ezels- en kinbandpinguïns en zuidpoolkippen. Soms ligt er een Weddellzeehond of een zeeluipaard op het strand te rusten. Ook hier komen in de tweede helft van het seizoen vaak groepen Antarctische pelsrobben voor.

Orne-Eilanden

De archipel van kleine eilanden en rotsen ten noorden van Rongé (64°39'Z, 62°41'W) heeft van vroege, Noorse pelsjagers de naam Orne-eilanden gekregen. 

Er broeden kinbandpinguïns, zuidpooljagers, keizersaalscholvers, zuidpoolkippen. Net als op de omliggende eilanden komen ook hier later in het seizoen Antarctische pelsrobben naar de stranden. Op diverse eilanden groeien felgekleurde korstmossen en dikke moskussens.

Vanaf de eilanden heeft u uitzicht op het indrukwekkende landschap aan de overzijde van de Gerlache Straat.

Danco

Tussen Rongé en het vasteland ligt het eiland Danco (64°44'Z, 62°37'W). Na de ontdekking noemde De Gerlache dit eiland naar de geofysicus Emile Danco, het expeditielid dat op Antarctica het leven had gelaten.

In de zomer van 1955-1956 heeft de Falkland Islands Dependencies Survey (later voortgezet als de British Antarctic Survey) hier een hut gebouwd die bekend is onder Base O. De hut is jarenlang incidenteel gebruikt door onderzoekers. Uiteindelijk is de hut weer verwijderd.

Er is een grote ezelspinguïnkolonie. Pinguïns nestelen tot op de 180 m hoge top. Omdat er vaak tot eind december sneeuw ligt, ontstaan er door de vele pinguïns die dagelijks van het nest naar zee lopen zogenaamde pinguïnsnelwegen. Het is een geweldig gezicht om de pinguïns die haast hebben op hun buik, min of meer bobsleeënd naar beneden te zien komen.

Melchior-Eilanden

Een verzameling eilanden tussen Brabant en Anvers die alle namen van het Griekse alfabet dragen. Op Lambda staat de eerste vuurtoren van Antarctica. De toren is in 1942 gebouwd door Argentinië en staat nu op de lijst van historische plaatsen en monumenten in Antarctica.

De eilanden zijn voor het merendeel met sneeuw en ijs bedekt, waardoor een zodiaccruise de beste manier is om de eilanden te verkennen. Vaak zijn er Antarctische pelsrobben. In de omgeving van de eilanden worden regelmatig walvissen gezien. 

Anvers

De Amerikaanse basis Palmer is gelegen op Anvers, 64°49'Z, 63°49'W, een van de grotere eilanden. Het is het grootste eiland ten noorden van de zuidpoolcirkel en meet grofweg 70 bij 50 km. Palmer is in 1968 in gebruik genomen. Lang voor die tijd had de British Antarctic Survey een hut op Anvers, die tussen 1955 en 1958 gebruikt werd voor geologisch onderzoek. Van 1963 tot 1971 werd de hut gebruikt als laboratorium door Amerikaanse onderzoekers. In 1971 brandde de hut af en werd deze verwijderd. Alleen de betonnen basis is nog te zien. 

Een van de ergste schipbreuken gebeurde op 28 januari 1989 toen het Argentijnse marineschip Bahía Paraíso bij het nabijgelegen eiland De Laca aan de grond liep. Alle opvarenden, inclusief een groep toeristen, moesten geëvacueerd worden. Het schip was onherstelbaar beschadigd en lekte meer dan 600.000 l dieselolie in zee, waardoor het uitliep op een regelrechte milieuramp. Door een gezamenlijke Argentijns-Nederlandse actie heeft men de schade kunnen beperken door nog 150.000 l uit de tanks van het aan de grond gelopen schip te bergen. Het behoeft geen betoog dat dit ongeval veel schade heeft toegebracht aan de fauna en flora, die nog jarenlang zichtbaar was. 

Gerlache Straat

De Gerlache Straat is de zeestraat tussen Danco Coast op het vasteland van Antarctica en de eilanden Cuverville, Rongé, Brabant en Anvers. Het is een schitterende vaarweg met uitzichten op de bergen met gletsjers die met grote fronten in zee eindigen. In de tweede helft van het seizoen worden er vaak bultruggen waargenomen.

De zeestraat is genoemd naar baron Adrien de Gerlache de Gomery, die de Belgische expeditie van 1897-1899 naar Antarctica leidde.

Neko Harbour

Aan de kust van Grahamland ligt op 64°50'Z 62°33'W een natuurlijke haven die Neko Harbour wordt genoemd. Dit is een van de plaatsen waar men voet op het continent Antarctica kan zetten. Er is een kiezelstrand aan de voet van de berg waarlangs een gletsjer met een immens front in zee eindigt. Met grote regelmaat kalven hier met donderend geraas delen van af.

Het gebied is door de Gerlache-expeditie genoemd naar een Noors walvisverwerkingsschip dat hier werkzaam was tussen 1911-1912 en 1923-1924.

Boven het strand staat een kleine Argentijnse hut uit 1949 met de naam Captain Fleiss.

Er is een kleine ezelspinguïnkolonie en hier en daar nestelen kelpmeeuwen en Antarctische en zuidpooljagers. Op het strand liggen soms Weddellzeehonden. Op enkele plaatsen groeien sneeuwalgen en mossen. Bij laag water zijn in kleine poeltjes roodblauwachtige kelpbladeren te zien.

Paradise Bay

Paradise Bay is een van de mooiste baaien van Antarctica. De baai wordt omringd door hoge bergen waartussen enorme gletsjertongen zich een weg naar zee banen. Waar ze in zee eindigen, kalven met enige regelmaat grote brokken af van de torenhoge fronten.

Het rondom liggend gebergte bestaat uit vulkanisch gesteente. Op enkele plaatsen zijn duidelijk koperaders te zien. Op beschutte wanden broeden keizersaalscholvers en er groeien mossen en korstmossen. In de tweede helft van het seizoen worden hier vaak bultruggen gezien. De baai is een geweldige plaats voor een zodiaccruise.

In Paradise Bay zijn twee plaatsen om op het vasteland van Antarctica te komen. De ene plaats is bij het verlaten Argentijnse station Almirante Brown (64°53'Z, 62°52'W), de andere plaats is bij Waterboat Point 64°49'Z 62°51'W.

Bij het Argentijnse station kan een wandeling gemaakt worden naar de achterliggende bergtop. Bent u hier vroeg in het seizoen dan is de helling nog bedekt met een dikke laag sneeuw en kunt u zich van boven naar beneden laten glijden. Het uitzicht vanaf de top is adembenemend.

Het verhaal achter de verlaten basis is triest: een dokter die, na twee jaar op de basis gediend te hebben, te horen kreeg dat hij nog een jaar langer moest blijven, omdat er geen schip beschikbaar was voor de personeelswissel, heeft de basis op 12 april 1984 in de brand gestoken. Het hele personeel is toen geëvacueerd en alsnog terug naar Argentinië gebracht. De opzet was dus geslaagd. Of het zijn carrière ten goede is gekomen, vertelt de geschiedenis niet.

Waterboat Point

Markant aanwezig op dit gedeelte is het Chileense zomerstation Gonzalez Videla. Het station is genoemd naar de Chileense president die in 1948 als eerste staatshoofd Antarctica bezocht. Rondom de basis bevindt zich een grote ezelspinguïnkolonie. Zuidpoolkippen en zuidpooljagers broeden er niet, maar zijn wel regelmatig bij de kolonie te vinden.

Buiten de basis zijn er overblijfselen te zien van de hut van een Britse expeditie. De teamleden Bagshaw en Lester hebben er in een waterboot de winter van 1922 doorgebracht. Zij verzamelden meteorologische, zoölogische en getijdengegevens. De hut staat nu op de lijst van historische plaatsen en monumenten in Antarctica (nummer 56). Ook hier is het uitzicht fenomenaal. 

Neumayerkanaal

De 26 km lange zeelengte tussen Anvers en Wiencke wordt het Neumayerkanaal genoemd. Het kanaal wordt aan beide zijden omzoomd door hoge bergen. Door de beschutte ligging is het hier nogal eens windstil, waardoor prachtige weerspiegelingen ontstaan.

Het kanaal is genoemd naar de Duitse geofysicus Georg von Neumayer. Von Neumayer had in 1879 zitting in de International Polar Commission toen het initiatief genomen werd voor het eerste International Polar Year (1882 -1883). In 1985 richtte hij de Duitse commissie voor Zuidpoolonderzoek op. Als resultaat hiervan ging in 1901 de eerste Duitse Antarctica-expeditie van start.

Wiencke

Tussen Anvers en het vasteland van Antarctica ter hoogte van Paradise Bay ligt het eiland Wiencke. Het is genoemd naar Auguste Karl Wiencke, een van de opvarenden van de Belgica, die verdronk tijdens de expeditie van 1897-1899.

Port Lockroy

De laatste jaren is Port Lockroy (64°49'Z 63°30'W), een grote natuurlijke haven aan de westkust van Wiencke, een must geworden als landingsplaats. 

Tot 1931 werd Port Lockroy gebruikt door walvisvaarders. Later werd deze beschutte plaats het onderwerp van dispuut tussen Argentinië en Engeland, die beide het gebied claimden.

Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog werd hier door de Britten een hut gebouwd als onderdeel van Operation Tabarin. Onder de noemer van wetenschappelijk onderzoek werden vijandelijke activiteiten in de gaten gehouden. Na de oorlog werd het station het eerste Britse, permanent bemande station en kreeg de naam Bransfield House. Er werd voornamelijk onderzoek verricht op botanisch, meteorologisch en geologisch gebied. Verder werd er informatie verzameld over de ionosfeer. Tijdens het International Polar Year 1957-1958 speelde de basis een grote rol. In 1962 werden onderzoekers echter naar andere locaties overgebracht en werd de basis gesloten. 

In 1994 is men begonnen met de restauratie van het oorspronkelijke gebouw. Het is nu een museum, postkantoor en souvenirwinkel en vormt een van de meest markante gebouwen van West-Antarctica. De hut staat nu op de lijst van historische plaatsen en monumenten in Antarctica (nummer 61). 

Het museum wordt omringd door broedende ezelspinguïns. Al jaren hipt er een zuidpoolkip met een poot rond. De achterliggende bergen zorgen voor een adembenemend panorama. Vanaf de trap bij de ingang van Bransfield House kijkt u tegen een immens gletsjerfront. 

Port Lockroy is ontdekt door Charcot tijdens de expeditie van 1903-1905 en is genoemd naar de vice-president van de Nationale Vergadering van Frankrijk, Edouard Lockroy. Door zijn doortastende lobby in overheidskringen werd een groot deel van de financiering van de expeditie gerealiseerd.

Jougla Point

Op slechts enkele minuten afstand van Port Lockroy ligt Jougla Point. De grootste attractie hier is het complete walvisskelet dat bij het strand ligt. Vaak broeden er ezelspinguïns tussen de botten. Er is hier tevens een grote kolonie keizersaalscholvers.

Dorian Bay

Aan de noordwestkust van Wiencke op 64°49'Z, 63°31'W bevindt zich een inham die Dorian Bay genoemd wordt. Landingen zijn hier mogelijk in de omgeving van Damoy Point. Er is een kiezelstrand en zelfs een klein zandstrand. Ezelspinguïns broeden verspreid over het lagere gedeelte van het eiland. Op het strand kan een enkele Weddellzeehond liggen.

Hier en daar zijn natte plaatsen met mossen. Op droge rotsen groeien korstmossen en levermossen. Er is een wandeling mogelijk naar een 40 m hogergelegen heuvel en via een steilere helling richting een gletsjerfront. 

Voorbij het strand staan twee hutten. De een is gebouwd door Argentinië, de andere door Groot-Brittannië. De Engelse hut dateert uit 1973. ‘s Zomers werden Britse onderzoekers hier per Twin Otter ingevlogen. Na 1993 is de hut niet meer gebruikt. De hut is echter nog steeds in uitstekende conditie, compleet met veel wetenschappelijke instrumenten. Daarom is de hut toegevoegd aan de lijst van historische plaatsen en monumenten in Antarctica (nummer 84). 

Lemairekanaal

Om verder zuidwaarts te komen, moet een 11 km lange en slechts 1.6 km brede engte doorgestoken worden, het Lemairekanaal. Aan beide zijden van het Lemairekanaal rijzen bergwanden bijna loodrecht omhoog. Het vormt hiermee een van de meest gefotografeerde landschappen van Antarctica. Het kreeg dan ook al snel de bijnaam Kodak-Gap. 

De Duitse Dallmanexpeditie van 1873-1874 heeft de engte ontdekt. De Gerlache is er uiteindelijk doorheen gevaren en heeft hem naar een Belgische ontdekkingsreiziger, Charles Lemaire, genoemd.

Pléneau

Net ten zuiden van het Lemairekanaal (65°06'Z, 64°04'W) ligt een eiland dat slechts een kilometer lang is. Vanaf het eiland heeft u fantastisch zicht op het deel van het kanaal dat French Passage genoemd wordt. 

Er is een ezelspinguïnkolonie en soms liggen er zuidelijke zeeolifanten op het strand te rusten. Op vochtige delen groeien mossen.

Het eiland is genoemd naar de fotograaf aan boord van de Pourqoui Pas?, Paul Pléneau.

Petermann

Petermann is voor de meeste schepen het zuidelijkste punt op de reis. Het ligt op 65°10'Z, 64°10'W. Het eiland werd in de zomer van 1873-1874 ontdekt door een Duitse expeditie en is genoemd naar de Duitse geograaf August Petermann. Bij mooi weer heeft u vanaf het eiland een van de mooiste uitzichten op West-Antarctica. 

Aan de rand van de baai aan de noordzijde broeden keizersaalscholvers en Adéliepinguïns. Bij de hut die vaak gebruikt wordt door onderzoekers broeden ezelspinguïns. Het is daarmee de zuidelijkste plaats waar ze voorkomen. 

Bij de meest gebruikte landingsplaats zijn de letters PP in de rotsen gegraveerd door de bemanning van de Pourqoui Pas? die hier tussen 1908 en 1910 overwinterde. 

Voor wandelaars is er, als de sneeuwcondities het toelaten, de mogelijkheid om naar de 200 m hoge top van het eiland te lopen. Wel kunt u onderweg aanvallen van zuidpooljagers met kuikens verwachten. Op menige rots groeien korstmossen en levermossen. Op vochtigere plaatsen groeien mossen en Antarctische smele.

Op het eiland staat een kruis ter nagedachtenis aan drie Engelsen die in 1982 zijn omgekomen tijdens een poging om over het ijs van Faraday, het Engelse station dat destijds op de Argentine-eilanden gevestigd was, naar Petermann te komen.

Argentine-Eilanden

Mochten de omstandigheden zeer gunstig zijn dan kan er mogelijk nog een bezoek aan de nog zuidelijker gelegen Argentine-eilanden gebracht worden.

Op Galindez ligt het Oekraïense station Vernadskiy (65°15'Z, 64°16'W). De gastvrije onderzoekers leiden u graag rond en nodigen u uit om wat te drinken in de bar. 

Tot 6 februari 1996 was het station in handen van de Engelsen die het station Faraday noemden. Het hoofdgebouw (Coronation House) is hier in februari 1954 gebouwd. Men deed onderzoek op het gebied van geofysica, meteorologie en men onderzocht de ionosfeer.

Op enkele minuten wandelen van het hoofdgebouw ligt Wordie House, een hut die door Engelsen gebruikt werd voor veldwerk. De hut zal in de komende jaren gerestaureerd worden en is nu geplaatst op de lijst van historische plaatsen en monumenten in Antarctica (nummer 62). 

Ondanks de zuidelijke ligging groeit er Antarctische smele en Antarctisch parelgras. Langs de kleine kiezelstranden zijn veel schelpen te vinden.

10 prachtige bestemmingen in De klassieke route en Antarctica