Walvisvaarders en pelsjagers

Harpoenen en walvisbotten herinneren ook hier aan de tijd van de walvisvaart
Harpoenen en walvisbotten herinneren ook hier aan de tijd van de walvisvaart

Maar Antarctica kent ook zwarte bladzijden in de historie. De grote expedities verhaalden over de enorme rijkdom aan walvissen en pelsrobben. In het noorden waren de walvissen zo goed als verdwenen door overbejaging. De industrie vroeg naar almaar meer olie. De twee wereldoorlogen deden de vraag naar olieproducten nog verder oplopen. Uit de olie werd glycerine gewonnen dat nodig was voor explosieven. Vooral op de subantarctische eilanden werden volledige fabrieken gebouwd om de enorme hoeveelheden walvisblubber te kunnen verwerken. Op South Georgia zijn nu nog de restanten in Grytviken en Stromness te vinden. Op Deception staan nog roestige tanks. Maar ook Kerguelen en Macquarie speelden, tot de komst van fabrieksschepen, een grote rol in de tijd van de walvisvaarders.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog voeren er eenentwintig fabrieksschepen rond in de Antarctische wateren. Het waren schepen onder Noorse, Engelse, Nederlandse en Russische vlag. In die jaren werden er ruim 50.000 walvissen (waaronder circa 6500 blauwe vinvissen) per seizoen gevangen en geslacht.

In 1946 werd de International Whaling Committee (IWC) opgericht om de walvisvaart te reguleren en walvissoorten te beschermen tegen uitsterven. Veel bereikte de commissie niet. Pas in de jaren zeventig werd de publieke opinie door natuurbeschermingsorganisaties gebruikt om druk te zetten op de walvisvarende landen en de commissie om een echt halt toe te roepen aan de walvisvaart.

Vanaf 1985/1986 gold er een totaalverbod op het vangen van walvissen rond Antarctica. Ondanks dat de vangsten in de tien jaren voorafgaande aan het verbod al immens gedaald waren, bleef Japan jagen op dwergvinvissen. Nu nog steeds worden er door Japanse walvisvaarders onder het mom van wetenschappelijk onderzoek ieder jaar honderden dwergvinvissen en bultruggen gedood.

Bij terugkomst van de expedities werd er ook steevast verhaald over de enorme hoeveelheden zeehonden en robben die rond Antarctica voorkwamen. Vooral de Antarctische pelsrobben bleken een enorm dichte en warme pels te hebben. Deze dieren werden bijna volledig uitgemoord. Daarna richtten de pelsjagers zich op de zuidelijke zeeolifanten. Deze dieren bleken een enorme blubberlaag te hebben, waaruit olie gekookt kon worden.

In 1972 werd door de ondertekenende landen van de Antarctic Treaty de Convention for the Conservation of Antarctic Seals opgesteld en geratificeerd. Hiermee werden de zuidelijke zeeolifant, Weddellzeehond, zeeluipaard, krabbeneter, Rosszeehond en pelsrob in grote mate beschermd. Enkele soorten mochten helemaal niet meer worden gedood, voor andere werd er een quotum vastgesteld. Tevens werd ook vastgelegd dat de dieren op een humane manier moesten worden gedood.

De pelsrobben hebben zich grotendeels inmiddels weer hersteld. De walvissen zijn echter nog steeds niet meer in zulke grote aantallen te vinden en de vraag is of soorten als de blauwe vinvis zich ooit nog kunnen herstellen van de buitenproportionele overbejaging.

Andere periodes in de geschiedenis van Antarctica